Alle nieuws

Rechtbank Oost-Brabant · 28 februari 2014

Toe- en afritten A59 bij Drunen mochten worden afgesloten

Het ministerie van Infrastructuur en Milieu mocht de toe- en afritten 41 van snelweg A59 bij Drunen afsluiten. Dat heeft de rechtbank Oost-Brabant zojuist beslist. Enkele bedrijven stapten naar de bestuursrechter omdat zij claimden grote schade te zullen lijden.

De betreffende toe- en afritten werden in september 2013 afgesloten. Het ministerie besloot hiertoe omdat er op het betreffende punt sprake was van een ontoereikende verkeersafwikkeling waardoor het verkeer op de A59 stremde. Hierdoor ontstonden zowel op de snelweg als op de lokale wegen onoverzichtelijke en dus verkeersonveilige situaties. In een andere procedure werd besloten dat er nabij Heusden nieuwe toe- en afritten zouden komen en dat de onderliggende kruispunten bij de aansluiting Drunen/Elshout werden gereconstrueerd. Volgens het ministerie was het daarbij gewenst de huidige toe- en afritten 41 af te sluiten.

Enkele omliggende bedrijven stellen dat bij die beslissing onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen bij het openhouden van de betreffende toe- en afritten. Vanwege de gewijzigde situatie beweren zij schade te lijden door de langere rij-afstand naar de A59 en de vertraging als gevolg van obstakels (waaronder rotondes) in die route. Ook zouden de bedrijfspanden in waarde dalen.

In deze zaak moest de rechtbank beoordelen of het ministerie de beslissing om de toe- en afritten 41 af te sluiten mocht nemen. Het ministerie heeft gemotiveerd dat de bestaande toe- en afritten geen noodzakelijke functie meer vervulden en het handhaven van deze toe- en afritten met het oog op de verkeersveiligheid en de geldende richtlijnen voor wegontwerp niet wenselijk was. Dit gegeven volstaat volgens de rechtbank.

De vraag is daarnaast of, zoals de bedrijven stellen, hun belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat de toe- en afritten niet hadden mogen worden afgesloten. Volgens de rechtbank betwist het ministerie niet dat de bedrijven schade zullen lijden. De partijen verschillen echter wel van mening over de hoogte van die schade. De rechtbank stelt dat de omrijschade in relatie tot de omzet van de bedrijven gering is. Ook de gestelde waardedaling van de panden is niet buitenproportioneel. Het ministerie heeft dus een evenwichtige belangenafweging gemaakt.

Uitspraken in dit bericht

Bron: rechtspraak.nl (de oorspronkelijke pagina is niet meer online)