28 november 2013
Rechters in gesprek met nabestaanden
Als nabestaande heb je levenslang. Verder moeten leven, terwijl je het gevoel hebt dat er niet voldoende recht is gedaan, is zwaar. Hoe kan het dat iemand na een levensdelict te hebben gepleegd, vaak al zo snel weer op vrije voeten is? Waarom moet ik in de nasleep van de rechtszaak overal zelf achteraan?
Nabestaanden van mensen die door een misdrijf om het leven zijn gebracht, worstelen met dit soort gevoelens en vragen. Dat bleek tijdens een bijeenkomst vrijdag 22 november in Amersfoort van acht rechters met leden van drie lotgenotenorganisaties (Aandacht Doet Spreken, Vereniging voor Veiligheid Respect en Solidariteit en Vereniging Ouders van een Vermoord Kind). De bijeenkomst was georganiseerd op initiatief van de verenigingen.
Een bestuurslid vertelde aan het begin van de bijeenkomst dat nabestaanden vaak nog met veel vragen zitten, als de rechtszaak tegen degene die hen zoveel leed berokkende is afgerond. Over de rechtszaak, over de afwegingen die de rechter maakte en over de rollen van de verschillende partijen in de rechtszaal. Ook ervaren nabestaanden rechters nogal eens als ‘afstandelijk’. De bijeenkomst was bedoeld om de nabestaanden waar mogelijk antwoorden te geven en de rol van de rechter duidelijker te maken.
De middag in Amersfoort begon plenair. De circa vijftig nabestaanden stelden algemene vragen aan de rechters over zaken als de strafmaat, de motivering van het vonnis, spreekrecht in de rechtszaal, tbs en de fase na de detentie.
Peter Lemaire, raadsheer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en voorzitter van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, legde uit dat het voor rechters niet eenvoudig is met nabestaanden in gesprek te gaan na afloop van een rechtszaak. “Het klopt dat rechters de behoefte voelen om enigszins afstand te houden. Ten opzichte van alle partijen, dus ook ten opzichte van nabestaanden. Dat brengt de rol van de rechter met zich mee. Het is zijn of haar werk een oordeel te vellen door als het ware boven de partijen te gaan staan.”
Lemaire lichtte in dit verband ook toe dat rechters “spreken door hun vonnis”. “Je zult dan ook nooit zien dat een rechter publiekelijk over zijn vonnis praat. Als journalisten vragen hebben, worden die beantwoord door een persrechter. Die licht dan de beweegredenen van collega’s toe. Die vorm zouden we ook voor nabestaanden kunnen toepassen, maar ik weet niet of u dat bevredigend zou vinden. U wilt waarschijnlijk toch de rechter zelf spreken die de verdachte heeft veroordeeld die u dit verschrikkelijke leed heeft aangedaan. Maar die kan niet meer zeggen dan wat er in zijn vonnis staat.” Een advocaat of officier van justitie moet zo’n toelichting op een vonnis ook kunnen geven, suggereerde Lemaire.
AandachtTijdens de bijeenkomst kwam diverse keren aan de orde dat er in de afgelopen jaren al veel is veranderd. Zo maken strafrechters steeds meer werk van hun vonnis door uitgebreid hun afwegingen te omschrijven, is er spreekrecht voor nabestaanden in de rechtszaal ingevoerd en is er in juridische opleidingen, anders dan vroeger, veel aandacht voor de menselijke en psychologische kanten die ook aan rechtszaken zitten. Maar, benadrukten diverse rechters, “het is heel moeilijk, zo niet onmogelijk, voor rechters om aan de verwachtingen van nabestaanden te voldoen. Want het leed dat u is aangericht, is onherstelbaar. Dat begrijpen wij heel goed.”
PortretEr kwamen ook hele praktische vragen. Een vrouw vroeg waarom er geen portret van haar vermoorde zoon in de rechtszaal mocht staan. Het antwoord was dat dit niet een vaststaande regel is, maar dat de voorzitter van de meervoudige kamer (zware strafzaken worden altijd door drie rechters behandeld) in dit geval blijkbaar had besloten dat het niet gepast was. Al pratend werd er ook een idee geboren: nabestaanden kunnen aan de officier van justitie vragen een foto van hun dierbare in het strafdossier te stoppen, zodat het dossier voor de rechters letterlijk ook een gezicht krijgt.
AfwegingRechters legden uit dat zij bij het opleggen van een straf heel veel zaken meewegen. De wet is leidend, maar ook het aangerichte leed aan directe nabestaanden, de gevoelens in de maatschappij en de omstandigheden waaronder de verdachte tot zijn daad kwam, spelen een belangrijke rol. En, hoe moeilijk dat voor nabestaanden ook is om te begrijpen, de rechter moet ook oog hebben voor de dader, die op enig moment zijn leven weer op moet kunnen pakken. Alleen in het geval van een levenslange gevangenisstraf is dat niet aan de orde.
Verder probeerden de rechters nabestaanden ook duidelijk te maken dat bepalend is voor de hoogte van de straf die zij kunnen opleggen de vraag of er sprake is van moord, doodslag of zware mishandeling de dood tot gevolg hebbend. Alleen in geval van moord was het op voorhand de bedoeling iemand van het leven te beroven.
Ook werd diverse keren aangestipt dat, hoewel dat door de samenleving niet wordt erkend, rechters in Nederland steeds zwaarder zijn gaan straffen.
Veel pijn bleek er te zijn als gevolg van het klaarblijkelijke gebrek aan informatie bij nabestaanden. Een vrouw met twee jonge kinderen wiens man om het leven was gebracht, vertelde in een emotioneel betoog dat zij gedurende de periode dat de daders van haar man vastzitten, herhaaldelijk een strijd is moeten aangaan: om schadevergoeding, om informatie over het proefverlof van de veroordeelde, om het afdwingen van een straatverbod, om antwoord op de vraag waarom de veroordeelde eerder de gevangenis uit mocht met een enkelband. “Je moet overal zelf achteraan”, zei zij. Instemmende geluiden waren haar deel.
Ook steekt het veel nabestaanden dat zij voor hun gevoel levenslang met de brokken zitten, terwijl veroordeelden in de vorm van een penitentiair programma relatief snel geholpen worden hun leven weer op te pakken. In dit verband werd toegelicht dat rechters geen rol spelen in het informeren van slachtoffers en nabestaanden over het verloop van de detentie van de dader. Dit is eerder de rol van het openbaar ministerie en van de zogeheten casemanager van Slachtofferhulp Nederland. Deze functionarissen zorgen ervoor dat nabestaanden steeds op tijd alle relevante informatie krijgen.
Na het plenaire deel van de bijeenkomst volgden er groepsgesprekken tussen rechters en vijf of zes nabestaanden. Laatstgenoemden konden tijdens deze gesprekken meer persoonlijke vragen aan de rechters stellen. De rechters konden ook op deze vragen niet altijd een antwoord geven, maar meestal wel uitleggen waarom dat niet kon.
Bij de afsluiting van de middag kwam er van de nabestaanden een spontaan applaus voor de rechters. Daags na de bijeenkomst bedankten de lotgenotenorganisaties nogmaals per mail voor het organiseren van de middag. Hierbij gaven zij aan dat de tijd te kort was om op alle vragen een antwoorde te krijgen en spraken zij de hoop uit dat op termijn nogmaals een dergelijke bijeenkomst wordt georganiseerd.
Bron: rechtspraak.nl (de oorspronkelijke pagina is niet meer online)