Ambtenarenrecht

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Vaststaat dat appellant vanaf 1 november 2000 al een aanstelling voor…

Centrale Raad van Beroep, 22 november 2012

Zaakgegevens

Op 22 november 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
22 november 2012
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
11-2490 AW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4349
E-mail

Samenvatting

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Vaststaat dat appellant vanaf 1 november 2000 al een aanstelling voor onbepaalde tijd bij de universiteit had. Daaraan doet de wijze waarop deze aanstelling is gefinancieerd niet af. Met de brief van 26 januari 2010 is appellant dus niet in enig rechtspositioneel belang getroffen. Die brief is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat deze niet vatbaar is voor bezwaar.

Uitspraak

11/2490 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 16 maart 2011, 10/752 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.]

het college van bestuur van de Universiteit Twente (college)

Datum uitspraak 22 november 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.M. van der Zandt hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Zandt. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.F. Evers en [H.].

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was met ingang van 1 november 2000 voor onbepaalde tijd aangesteld als medewerker Facilitaire Dienst bij de Universiteit Twente (Universiteit). De financiering daarvan vond plaats door middel van een subsidie van de gemeente Enschede in het kader van de Regeling in- en doorstroombanen (RID). Nadat de gemeente in oktober 2009 had besloten om deze subsidie af te bouwen en te beëindigen, is appellants aanstelling in het kader van de RID per 31 december 2009 beëindigd. Aansluitend is appellant per 1 januari 2010 voor onbepaalde tijd aangesteld als medewerker Interne Dienst bij de universiteit. De financiering van die aanstelling vond onder andere plaats door middel van een tegemoetkoming van de gemeente Enschede in de loonkosten op grond van artikel 3.6 van de Wijzigingsverordening werk en bijstand en door middel van een eenmalige premie van € 6.000,-. Appellant is bij brief van 14 december 2009 onder andere meegedeeld dat die tegemoetkoming per 1 januari 2012 vervalt. Als er dan geen alternatieven voorhanden zijn, zou appellant vanwege het ontbreken van financiele middelen ontslag kunnen worden verleend.

1.2. Bij brief van 26 januari 2010 heeft het college aan appellant meegedeeld dat aan zijn verzoek van 15 januari 2010 om hem met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2004 een aanstelling voor onbepaalde tijd te verlenen, niet tegemoet kan worden gekomen, omdat appellant sinds 1 november 2000 al een aanstelling voor onbepaalde tijd heeft. Bij het bestreden besluit van 16 juni 2010 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 26 januari 2010 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is aan te merken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Vaststaat dat appellant vanaf 1 november 2000 al een aanstelling voor onbepaalde tijd bij de universiteit had. Daaraan doet de wijze waarop deze aanstelling is gefinancieerd niet af. Met de brief van 26 januari 2010 is appellant dus niet in enig rechtspositioneel belang getroffen. Die brief is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat deze niet vatbaar is voor bezwaar. Dit brengt met zich mee dat het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 26 januari 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen- Grootjans als voorzitter en K. Zeilemaker en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans

(get.) M.R. Schuurman

NK