Ambtenarenrecht
Naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1087) heeft het college een nieuwe beslissing op…
Centrale Raad van Beroep, 23 januari 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:4468 · Centrale Raad van Beroep · 23 januari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-4468
Zaakgegevens
Op 23 januari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 januari 2014
- Datum publicatie
- 29 januari 2015
- Zaaknummer
- 11-4905 AW-G
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:4468
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Naar aanleiding van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:1087) heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft in reactie op dit besluit te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met het nader vastgestelde terugvorderingsbedrag. Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang.
De rapporten van de Belastingadviseurs kunnen, gelet op de inhoud ervan, echter niet worden aangemerkt als een door een deskundige uitgebracht verslag, maar moeten worden aangemerkt als onderdeel van rechtsbijstandsverlening, en komen niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.
Uitspraak
11/4905 AW-G, 11/4915 AW-G, 12/436 AW-G
Datum uitspraak: 23 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Gerectificeerde uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 12 juli 2011, 10/5161 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 4 juli 2013 een tussenuitspraak gedaan in het geschil tussen partijen (ECLI:NL:CRVB:2013:1087).
Het college heeft op 25 september 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Namens betrokkene heeft mr. Q.A.L.M. Gijsbers, advocaat, bij brieven van 15 oktober 2013 en
30 oktober 2013 zijn zienswijze gegeven op dit besluit.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming.
Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 september 2013 heeft het college de periode waarover wachtgeld wordt teruggevorderd beperkt tot de periode vanaf 1 juli 2004. In totaal is een bedrag aan onverschuldigd betaald wachtgeld teruggevorderd van € 119.604,-. Daarbij is vermeld dat door inhoudingen op de wachtgelduitkering en betalingen inmiddels een bedrag van € 77.523,90 is voldaan. In dat verband is erop gewezen dat hierbij nog geen rekening is gehouden met rente. Verder is vermeld dat de berekening over 2009 is gebaseerd op de conceptjaarrekening en dat de definitieve financiële gegevens over 2009 nog door appellant moeten worden overgelegd.
Betrokkene heeft in reactie op dit besluit te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met het nader vastgestelde terugvorderingsbedrag van € 119.604,-. Daarbij heeft hij opgemerkt dat hierbij wel rekening moet worden gehouden met de inhoudingen op de wachtgelduitkering en de tot dusver verrichte betalingen.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vastgesteld moet worden dat er met betrekking tot de hoogte van het terugvorderingsbedrag geen geschil meer bestaat. De opmerking van betrokkene dat rekening moet worden gehouden met hetgeen hij inmiddels heeft voldaan, betreft de invordering van het terug te vorderen bedrag. Dit valt buiten de omvang van het geding. Dat het college rekening houdt met hetgeen al is voldaan, blijkt overigens uit het besluit van 25 september 2013. Dit besluit komt in zoverre niet tegemoet aan het beroep daartegen dat is nagelaten daarbij mede een beslissing te nemen over het door betrokkene gedane verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar. In dit geval is voldaan aan de vereisten van artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding door het college van de kosten van betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar. Het beroep tegen het besluit van 25 september 2013 zal gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij geen beslissing is gegeven over het desbetreffende verzoek. De Raad zal het college veroordelen tot vergoeding aan betrokkene van de kosten in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.
De Raad ziet verder aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand.
Betrokkene heeft tevens verzocht om de door mr. E.J.J. Ruiters, werkzaam bij
Stel & De Gijsel Belastingadviseurs, op 1 november 2010 en 17 februari 2012 uitgebrachte rapporten te vergoeden als zijnde kosten van een deskundige die verslag heeft uitgebracht. Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) komen kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. De rapporten van Ruiters kunnen, gelet op de inhoud ervan, niet worden aangemerkt als een door een deskundige uitgebracht verslag, maar moeten worden aangemerkt als onderdeel van rechtsbijstandsverlening in de zin van artikel 1, aanhef en
onder a, van het Bpb. De desbetreffende kosten moeten daarom worden geacht te zijn begrepen in de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb bedoelde forfaitaire vergoeding. De kosten komen dus niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is geoordeeld dat bij de vaststelling
van de hoogte van de inkomsten de verschuldigde vennootschapsbelasting buiten
beschouwing moet worden gelaten;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 januari 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 september 2013 gegrond voor zover daarbij
geen beslissing is genomen over de vergoeding van de kosten in bezwaar en vernietigt dit
besluit in zoverre;
- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene in bezwaar en hoger beroep tot
een bedrag van in totaal € 2.191,50;
- bepaalt dat het college het door betrokkene in hoger beroep betaalde griffierecht van € 227,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2014.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) S.K. Dekker