Ambtenarenrecht
Geen sprake van een te laat genomen besluit. De minister is geen dwangsom verschuldigd.
Centrale Raad van Beroep, 14 april 2016
ECLI:NL:CRVB:2016:1607 · Centrale Raad van Beroep · 14 april 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2016-1607
Zaakgegevens
Op 14 april 2016 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 14 april 2016
- Datum publicatie
- 3 mei 2016
- Zaaknummer
- 14/5563 AW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2016:1607
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen sprake van een te laat genomen besluit. De minister is geen dwangsom verschuldigd.
Uitspraak
14/5563 AW
Datum uitspraak: 14 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
20 augustus 2014, 14/877 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. J.H. ten Voorde hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Voor appellant is verschenen drs. Ten Voorde. De minister is niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Appellant was werkzaam bij het Korps Mariniers. Bij rekest van 27 mei 2013 heeft hij de minister verzocht hem toe te staan ten behoeve van studie per 1 september 2013 buitengewoon (onbetaald) verlof op te nemen.
Bij besluit van 2 september 2013 heeft de minister het verzoek van appellant ingewilligd.
Bij brief van 14 oktober 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van
2 september 2013.
Bij brief van 9 december 2013 heeft appellant de minister in gebreke gesteld, omdat de minister niet tijdig op het bezwaarschrift van 14 oktober 2013 heeft beslist.
Bij besluit van 10 december 2013 heeft de minister beslist op het bezwaarschrift van
14 oktober 2013.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Appellant heeft zijn hoger beroep ter zitting van de Raad beperkt tot de stelling dat er niet tijdig op zijn bezwaarschrift van 14 oktober 2013 is beslist en dat de minister daarom een dwangsom verschuldigd is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt vast dat de minister op 10 december 2013 een besluit heeft genomen op het bezwaarschrift van appellant van 14 oktober 2013. Nu de minister dit besluit heeft genomen een dag na de ingebrekestelling van 9 december 2013, is van een te laat genomen besluit geen sprake en is de minister geen dwangsom verschuldigd.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2016.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) M.S. Spek