Ambtenarenrecht

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.

Centrale Raad van Beroep, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
26/1363 WAD
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1387
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.

Uitspraak

26/1363 WAD

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 juni 2026, 25/438

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.D.W. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

In de ontvangstbevestiging van 30 juli 2026 aan de gemachtigde van appellante staat dat alleen als er iets bijzonders aan de hand is, uitstel kan worden gevraagd. Het vragen om uitstel kan alleen met een brief die moet zijn verstuurd voor de einddatum van de gestelde termijn.

Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.

Bij brief van 4 augustus 2026 is de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

De gemachtigde van appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Via een e-mailbericht van 1 september 2026 heeft de gemachtigde van appellante verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het hoger beroep.

Bij aangetekende brief van 3 september 2026 heeft de Raad dit uitstel verleend en de gemachtigde van appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat nader uitstel niet verleend zal worden, en dat overschrijding van de termijn tot gevolg kan hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.

De gemachtigde van appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.

Niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van A. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026.

(getekend) Y. Sneevliet


(getekend) A. Giesen

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.