Ambtenarenrecht
Ontslag wegens wangedrag. Appellant is ontslagen wegens het in bezit hebben van meer dan de…
Centrale Raad van Beroep, 4 maart 2026
ECLI:NL:CRVB:2026:252 · Centrale Raad van Beroep · 4 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-252
Zaakgegevens
Op 4 maart 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Datum publicatie
- 6 maart 2026
- Zaaknummer
- 24/98 WAD
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:252
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontslag wegens wangedrag. Appellant is ontslagen wegens het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs en dit in strijd met het drugsbeleid van Defensie.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/98 WAD en 24/1122 WAD
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2023, 23/2851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
SAMENVATTING
Appellant is ontslagen wegens wangedrag. Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs. De Raad oordeelt dat het ontslag in stand kan blijven en dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft vastgesteld.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P.K. Ruperti, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruperti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Van der Weijden.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant was sinds [datum 1] 2012 aangesteld als militair bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marine, laatstelijk als marinier der eerste klasse.
Op [datum 2] 2020 is appellant door de politie aangehouden in verband met het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs.
Nadat de staatssecretaris zijn voornemen daartoe bekend heeft gemaakt en appellant hierop zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de staatssecretaris met het besluit van 3 februari 2021 aan appellant met ingang van 15 februari 2021 ontslag verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. Dat is in strijd met het drugsbeleid van Defensie (drugsbeleid).
Op 3 november 2021 heeft de militaire politierechter (politierechter) wettig en overtuigend bewezen geacht dat appellant op [datum 2] 2020 ongeveer 100 gram softdrugs in zijn bezit had en is appellant een straf opgelegd van een geldboete ten bedrage van € 200,-. Het hoger beroep tegen dit vonnis is niet-ontvankelijk verklaard.
Met een besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de uitspraak van de politierechter dwingende bewijskracht heeft en daarom op grond van artikel 8 van de WAD geldt als bewijs van het feit. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de staatssecretaris in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft vastgesteld dat appellant in het bezit was van de softdrugs. Volgens de rechtbank levert de verweten gedraging wangedrag op. Omdat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom het ontslag niet onevenredig is aan het verweten wangedrag, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Nu de staatssecretaris met de op de zitting gegeven toelichting alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat het ontslag niet onevenredig is, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van partijen
Appellant en de staatssecretaris zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
3. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het besluit tot ontslag wegens wangedrag juist is aan de hand van de argumenten die partijen in de hoger beroepen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris wel slaagt.
Hoger beroep van appellant
Appellant heeft aangevoerd dat het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter niet-ontvankelijk is verklaard door een procedurele fout van zijn toenmalige advocaat. Aan appellant is daardoor de kans ontnomen om in hoger beroep in de strafzaak zijn onschuld te bewijzen. Daarom moet volgens hem in deze zaak rekening worden gehouden met zijn argumenten die zien op de verweten gedraging.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis door de politierechter schuldig verklaard aan het in bezit hebben van een meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. Op grond van artikel 8 van de WAD geldt dat vonnis ook in deze zaak als bewijs van dat feit. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Het handelen of nalaten van een advocaat komt voor rekening en risico van de betrokkene. Dat geldt ook indien deze, zoals door appellant is betoogd, een fout heeft gemaakt.
Appellant heeft door het in het bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs in strijd gehandeld met het drugsbeleid. De staatssecretaris heeft dit terecht aangemerkt als wangedrag in de zin van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Niet gebleken is van omstandigheden als gevolg waarvan het wangedrag appellant niet is toe te rekenen.
Het ontslag is in overeenstemming met dit drugsbeleid. Dit beleid komt voort uit de noodzaak van Defensie om hoge eisen te stellen aan haar militairen. Gelet hierop geeft wat door appellant is aangevoerd over zijn goede staat van dienst en zijn (financiële) situatie, geen reden om het ontslag onevenredig te achten aan het gepleegde wangedrag. Het belang van de staatssecretaris weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van appellant.
Het hoger beroep slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep
De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe is aangevoerd dat er geen aanleiding bestond in het bestreden besluit te motiveren waarom het ontslag niet onevenredig was aan het verweten wangedrag, omdat dit al in het besluit van 3 februari 2021 was gemotiveerd en daartegen geen gronden in bezwaar zijn aangevoerd.
Dit betoog slaagt. Uit artikel 7:11 van de Awb volgt dat de staatssecretaris bij de beslissing op bezwaar gehouden is tot een volledige heroverweging van het primaire besluit op grondslag van het daartegen gemaakte bezwaar. Nu in bezwaar geen gronden zijn gericht tegen de motivering van de evenredigheid van het ontslag, hoefde de staatssecretaris dit niet nogmaals te motiveren in het bestreden besluit.
Het incidenteel hoger beroep slaagt.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt wel. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het ontslag in stand blijft.
4. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
vernietigt de aangevallen uitspraak;
-
verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) H. de Brabander
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Artikel 8 Wet ambtenaren defensie luidt:
Een uitspraak van den strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de militaire ambtenaar aan eenig feit is schuldig verklaard, geldt in een militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.
Artikel 39, aanhef en onder het tweede lid, onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement luidt:
Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.