Ambtenarenrecht
Ongegrond verklaring van het verzet wegens termijnoverschrijding van het griffierecht.
Centrale Raad van Beroep, 19 februari 2009
ECLI:NL:CRVB:2009:BH4431 · Centrale Raad van Beroep · 19 februari 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/verzet/ecli-nl-crvb-2009-bh4431
Zaakgegevens
Op 19 februari 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 februari 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08/2072 AW-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- VerzetVerzetEen rechtsmiddel waarmee iemand vraagt een beslissing opnieuw te bekijken die zonder zijn inbreng is genomen, zoals een verstekvonnis.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2009:BH4431
Samenvatting
Ongegrond verklaring van het verzet wegens termijnoverschrijding van het griffierecht.
Uitspraak
08/2072 AW-(Verzet)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], thans zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2008, 07/2318 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 18 september 2008 heeft de Raad het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen die uitspraak heeft mr. N.C. Maduro, advocaat te Utrecht, namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 15 januari 2009. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij de uitspraak van de Raad van 18 september 2008 is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Bij aangetekende brief van 30 juni 2008 is appellant - nadat hij eerder, bij brieven van 14 mei 2008, was uitgenodigd het verschuldigde griffierecht te betalen - erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht alsnog binnen vier weken na dagtekening per kas dient te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad dient te zijn bijgeschreven.
De Raad stelt vast dat de datum waarop het verschuldigde griffierecht per kas diende te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven, 28 juli 2008 is.
Het griffierecht is eerst op 29 juli 2008 op de bankrekening van de Raad bijgeschreven, zodat moet worden vastgesteld dat appellant de in de brief van 30 juni 2008 gestelde termijn heeft overschreden.
In verzet heeft appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2003, LJN AM5415, aangevoerd dat het aan de Raad te wijten is dat appellant in de veronderstelling is geraakt dat er geen griffierecht verschuldigd is, althans de overschrijding van de betalingstermijn heeft bewerkstelligd. Een en ander zou zijn ontstaan doordat de Raad appellant bij brief van 6 juni 2008 heeft laten weten dat de verschuldigdheid van het griffierecht vervalt. Daarnaast is aangevoerd dat de dag van verzending van de mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort, niet vastgesteld kan worden.
De Raad stelt vast dat de brief van 6 juni 2008 waarop appellant doelt, betrekking heeft op een mededeling in de zaak met nummer 08/2073 AW en dat dit in deze brief vermeld staat. Een eventuele misvatting bij appellant omtrent de verschuldigdheid van het griffierecht in de onderhavige zaak dient dan ook voor zijn rekening te komen. Bovendien heeft de Raad bij de hiervoor genoemde aangetekende brief van 30 juni 2008, appellant eraan herinnerd dat de betaling van het griffierecht in de onderhavige zaak dient te zijn voldaan binnen vier weken na dagtekening (en dus niet: na verzending) van deze brief.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en A. Beuker-Tilstra als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD