Ambtenarenrecht

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om voorlopige voorziening. Overschrijding termijn voor betaling griffierecht.

Centrale Raad van Beroep, 3 juni 2010

Zaakgegevens

Op 3 juni 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
3 juni 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
10-2539 AW-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2010:BM6787
E-mail

Samenvatting

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om voorlopige voorziening. Overschrijding termijn voor betaling griffierecht.

Uitspraak

10/2539 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2010, 09/74 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen :

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 3 juni 2010

1. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier van de verzoeker om een voorlopige voorziening een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt.

3. Bij brief van 10 mei 2010 is verzoeker erop gewezen dat hij een griffierecht van € 448,- verschuldigd is, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen die termijn betaald.

4. Bij aangetekende brief van 25 mei 2010 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.

5. Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.

6. Het bovenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

RW