Ambtenarenrecht
Afwijzing voorlopige voorziening. Het door verzoeker aangevoerde levert niet een spoedeisend belang op. Niet…
Centrale Raad van Beroep, 9 februari 2012
ECLI:NL:CRVB:2012:BV3423 · Centrale Raad van Beroep · 9 februari 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2012-bv3423
Zaakgegevens
Op 9 februari 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 9 februari 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12-205 AW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV3423
Samenvatting
Afwijzing voorlopige voorziening. Het door verzoeker aangevoerde levert niet een spoedeisend belang op. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen. Louter het belang van verzoeker om voorafgaand aan zijn beoogde ontslagdatum de door hem gewenste berekeningsgrondslag van de uitkering vastgesteld te zien teneinde het risico op fouten als gevolg van een eventuele latere herziening te voorkomen, is onvoldoende om tot een spoedeisend belang te concluderen.
Uitspraak
12/205 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], (verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 4 november 2011, 11/2567 en 11/4036 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)
Datum uitspraak: 9 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld.
Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 15 juni 2011 (bestreden besluit) is namens de minister het bezwaar van verzoeker tegen de e-mailberichten van 2 en 17 november 2010, inhoudende de afwijzing van verzoekers verzoek tot uitbreiding van zijn arbeidsduur van 36 naar 40 uur per week per 1 januari 2011, ongegrond verklaard.
1.2. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.
2. In antwoord op een verzoek van de Raad om nader aan te geven om welke concrete voorziening(en) wordt verzocht en welk spoedeisend belang bij de gewenste voorziening(en) bestaat, heeft verzoeker bericht dat de beoogde rechtstoestand een vaststelling van de berekeningsgrondslag uit een substantieel bezwarende functie, gebaseerd op een omvang van 40 arbeidsuren per week, is en dat hij een zeer groot belang heeft bij een snelle inhoudelijke behandeling van zijn hogerberoepschrift opdat voor toekenning van de uitkering de juiste (gewenste) berekeningsgrondslag bekend is. Een uitspraak na 1 mei 2012, op welke datum verzoeker met ontslag wil gaan vanwege het vervuld hebben van een substantieel bezwarende functie, zal bij een geslaagd beroep een herziening van de uitkering nodig maken. Zo’n herziening gaat gepaard met de nodige administratieve handelingen en kent daarom een zeker foutrisico, dat verzoeker graag wil voorkomen.
3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2. Het door verzoeker aangevoerde levert niet een spoedeisend belang op als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen. Louter het belang van verzoeker om voorafgaand aan zijn beoogde ontslagdatum de door hem gewenste berekeningsgrondslag van de uitkering vastgesteld te zien teneinde het risico op fouten als gevolg van een eventuele latere herziening te voorkomen, is onvoldoende om tot een spoedeisend belang te concluderen.
4. Uit het vorenstaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.
5. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2012.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD