Ambtenarenrecht
Verzoek om voorlopige voorziening. Griffierecht is niet betaald: appellante is in verzuim geweest…
Centrale Raad van Beroep, 13 september 2012
ECLI:NL:CRVB:2012:BX7271 · Centrale Raad van Beroep · 13 september 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2012-bx7271
Zaakgegevens
Op 13 september 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 13 september 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 12-2760 AW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BX7271
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening. Griffierecht is niet betaald: appellante is in verzuim geweest. Niet-ontvankelijkverklaring.
Uitspraak
12/2760 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
de Minister van Defensie (verzoeker)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak 13 september 2012.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 april 2012, 12/2365 en 12/2366 (aangevallen uitspraak).
Vervolgens heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
OVERWEGINGEN
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het eerste lid van artikel 23 van de Beroepswet is bepaald dat door de griffier en griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt.
Bij brief van 18 mei 2012 is verzoeker erop gewezen dat ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 466,-- is verschuldigd, en is medegedeeld dat dit bedrag binnen veertien dagen na de dag van verzending van deze brief dient te zijn voldaan.
Bij aangetekende brief van 5 juni 2012 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is medegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na de datum van deze brief dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat verzoeker er rekening mee moet houden dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet inhoudelijk behandeld zal worden als het griffierecht niet tijdig betaald is.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest, acht de Raad het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2012.
(getekend) J.Th. Wolleswinkel
(getekend) E. Blijleven-de Vries
HD