Ambtenarenrecht
Heden uitspraak in de bodemprocedure 18/934 AW gedaan dat het hoger beroep niet slaagt. Verzoek om een…
Centrale Raad van Beroep, 22 mei 2018
ECLI:NL:CRVB:2018:1535 · Centrale Raad van Beroep · 22 mei 2018
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/ambtenarenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-crvb-2018-1535
Zaakgegevens
Op 22 mei 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over ambtenarenrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 mei 2018
- Datum publicatie
- 24 mei 2018
- Zaaknummer
- 18/957 AW-VV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Ambtenarenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2018:1535
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Heden uitspraak in de bodemprocedure 18/934 AW gedaan dat het hoger beroep niet slaagt. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet niet-ontvankelijk worden verklaard omdat geen hoger beroep meer aanhangig is.
Uitspraak
18/957 AW-VV
Datum uitspraak: 22 mei 2018
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoekster] (verzoekster)
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. M. de Boorder, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2018, 17/6937 en 17/6938 (aangevallen uitspraak).
Verzoekster heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2018. Verzoekster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.J.J. Vereijken.
OVERWEGINGEN
1. Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij uitspraak van vandaag (kenmerk 18/934 AW) heeft de Raad geoordeeld dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd. Gegeven deze uitspraak in de bodemprocedure is niet langer voldaan aan de voorwaarde dat met betrekking tot de uitspraak ten aanzien waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd hoger beroep is ingesteld. Hoewel voor de bevoegdheid van de voorzieningenrechter van de Raad tot het treffen van een voorlopige voorziening voldoende is dat er op enig moment hoger beroep is ingesteld, dient deze voorwaarde zo te worden verstaan dat er een hoger beroep aanhangig moet zijn, wil een voorlopige voorziening kunnen worden getroffen.
3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van
J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2018.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) J. Smolders