Belastingrecht
Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie. Afbouwperiode. Appellante is toestemming verleend om…
ECLI:NL:CRVB:2026:1243 · Centrale Raad van Beroep · 10 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2026-1243
Zaakgegevens
Op 10 september 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 24/2770 POL
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2026:1243
Samenvatting
Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie. Afbouwperiode. Appellante is toestemming verleend om nevenwerkzaamheden te verrichtten als tolk/vertaler binnen de eigen organisatie in zijn eigen tijd als zzp'er. De korpschef heeft deze toestemming ingetrokken vanwege aanpassing in het beleid. Het verrichten van nevenwerkzaamheden binnen de organisatie was niet langer toegestaan. De Raad is van oordeel dat de door appellant gestelde schade niet uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico.
Uitspraak
Inhoudsopgave
24/2770 POL
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 27 november 2024, 24/3781 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Korpschef van Politie (korpschef)
Datum uitspraak: 10 september 2026
SAMENVATTING
Appellant heeft verzocht om nadeelcompensatie in verband met de beëindiging van de hem verleende toestemming om binnen de politieorganisatie tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten. De Raad is van oordeel dat de door appellant gestelde schade niet uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico, zodat het verzoek om nadeelcompensatie terecht is afgewezen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. de Booij, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant heeft mr. De Booij een nader stuk ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 2 juli 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Booij. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Kleine en H.V. van Vegten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1. Appellant was sinds [datum] 1986 werkzaam bij de politie, laatstelijk in de functie van trajectbegeleider bij de politieacademie.
1.2. Voor het laatst bij besluit van 21 juli 2014 heeft de korpschef aan appellant toestemming verleend voor het verrichten van nevenwerkzaamheden als tolk en vertaler. Appellant verrichtte deze nevenwerkzaamheden als zzp’er onder meer bij de politieorganisatie en deed dit daar hoofdzakelijk in de tapkamer en de kamer voor opname vertrouwelijke communicatie.
Tijdens de reorganisatie naar de Nationale Politie bleek dat de 26 regiokorpsen verschillend omgingen met nevenwerkzaamheden door politiemedewerkers. De korpschef heeft om die reden met ingang van 1 januari 2015 één nationaal beleid vastgesteld, dat is neergelegd in de notitie ‘Nevenwerkzaamheden 2014’ (Notitie). Eén van de uitgangspunten van de Notitie is: “De politie laat geen eigen medewerkers nevenwerkzaamheden (anders dan volontair en vrijwillige politieambtenaar) verrichten binnen de politieorganisatie. Dit geldt voor de gehele politie, niet alleen binnen de eenheid waar de medewerker tewerkgesteld is.”
Aan de Notitie is aanvankelijk geen uitvoering gegeven. Naar aanleiding van een klacht vanuit de advocatuur dat de politie ten onrechte eigen medewerkers als tolk inhuurt heeft de landelijk dossierhouder Tolken en Vertalen op 3 mei 2019 verzocht om het beleid zoals neergelegd in de Notitie actief uit te dragen en de besluiten waarbij toestemming is verleend om deze nevenwerkzaamheden te verrichten binnen de politieorganisatie aan te passen aan dit beleid.
Met een besluit van 3 augustus 2020, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 9 februari 2021, heeft de korpschef onder verwijzing naar de Notitie en de brief van 3 mei 2019 bepaald dat het appellant zes maanden na 20 augustus 2020 (afbouwperiode) niet langer is toegestaan zijn tolk- en vertaalwerkzaamheden binnen de politieorganisatie te verrichten en dat het eerder toekennend besluit daartoe als ingetrokken moet worden beschouwd. Het beroep tegen het besluit van 9 februari 2021 heeft de rechtbank MiddenNederland met een uitspraak van 25 november 2021 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd met een uitspraak van 27 oktober 2022.
Op 10 juli 2023 heeft appellant verzocht om nadeelcompensatie in verband met het (rechtmatige) besluit van 3 augustus 2020, onder verwijzing naar de criteria van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij is vermeld dat appellant vanaf 20 februari 2021 (einde afbouwperiode) tot de op dat moment beoogde pensioendatum, 1 december 2025, een nadeel lijdt van € 756.983.28.
Met een besluit van 26 september 2023 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft de korpschef met een besluit van 20 maart 2024 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens de korpschef is geen sprake van een abnormale last. Hierbij is onder meer vermeld dat appellant zijn nevenwerkzaamheden als tolk/vertaler binnen de eigen organisatie in zijn eigen tijd als zzp'er verrichtte, dit op oproepbasis en zonder werkgarantie. Het feit dat de politieorganisatie niet langer gebruik wenste te maken van de diensten van appellant, behoort volgens de korpschef tot het normale ondernemersrisico. Er zijn immers geen toezeggingen gedaan en daarmee bestond steeds de mogelijkheid dat appellant niet (meer) opgeroepen zou worden. Daarbij is verwezen naar de in 1.5 vermelde uitspraak van de Raad van 27 oktober 2022. Verder is verwezen naar uitspraken in een civiele procedure die appellant heeft gevoerd. In die procedure heeft appellant schadevergoeding gevorderd over (uiteindelijk) de periode 17 december 2019 (de datum waarop zijn gegevens in het Tolkenregister Politie op ‘niet tonen’ zijn gezet naar aanleiding van een incident van eind november 2019) tot 20 februari 2021. Verder heeft hij ongedaanmaking van de doorhaling van de registratie gevorderd wat betreft de periode 17 december 2019 tot 20 februari 2021. Deze vorderingen zijn in de civiele procedure afgewezen. Daarnaast is vermeld dat het appellant nog wel was toegestaan om tolk- en vertaalwerkzaamheden buiten de politieorganisatie te verrichten en dat hem bij het besluit tot intrekking van de toestemming een afbouwperiode van zes maanden is verleend om zich aan te kunnen passen aan de veranderde omstandigheden, bijvoorbeeld door elders inkomsten te gaan verwerven. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat het verwerven van alternatieve inkomsten buiten de politieorganisatie niet te combineren valt met zijn functie bij de politie en dat het hem ook ontbreekt aan een netwerk buiten de politie, heeft de korpschef opgemerkt dat deze argumenten zien op wensen, keuzes en inschattingen in het kader van het ondernemerschap van appellant. Een en ander komt volgens de korpschef voor rekening en risico van appellant. Volgens de korpschef is evenmin sprake van een speciale last.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank voorop gesteld dat uit de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2022 volgt dat het door de korpschef in de Notitie neergelegde beleid – waarop de intrekking van de toestemming aan appellant is gebaseerd – rechtmatig is. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het nadeel dat appellant lijdt als gevolg van het rechtmatig bevonden beleid niet uitstijgt boven zijn normale maatschappelijke risico in de zin van het égalitébeginsel. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar overweging 4.8 van genoemde uitspraak van de Raad. Volgens de rechtbank kon de korpschef het verzoek om nadeelcompensatie alleen al om die reden afwijzen en hoeft daarom niet te worden ingegaan op de vraag of de schade appellant in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1. Op 1 januari 2024 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) in werking getreden, voor zover die wet betrekking heeft op nadeelcompensatie (titel 4.5 van de Awb). Artikel IV, eerste lid, van de Wns bepaalt dat op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor het tijdstip waarop deze wet voor dat besluit of die handeling in werking is getreden, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing blijft. Uit dit artikel volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Wns op dit geding van toepassing blijft.
4.2. Als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico (abnormale last) en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft (speciale last), kent het bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe. Bij het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico gaat het om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee de burger of ondernemer rekening kan houden, ook al bestaat geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien. De invulling van het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Van belang zijn onder meer de aard van de schadeveroorzakende maatregel (tijd, duur, plaats, ontstaanswijze en andere relevante omstandigheden), de aard, ernst en omvang de schade en de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag.
Bij de vaststelling van het normale maatschappelijke risico moet ook rekening worden gehouden met omstandigheden die betrekking hebben op de benadeelde zelf. Het uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren dan ook de nadelen die direct samenhangen met de keuze die de ondernemer zelf heeft gemaakt voor een bepaald type bedrijfsvoering en de plek waarop hij zijn bedrijf uitoefent.
4.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door bij de beoordeling van het geschil doorslaggevende betekenis toe te kennen aan wat is overwogen in de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2022. De korpschef heeft in het bestreden besluit wat betreft de vraag of sprake is van een abnormale last uitdrukkelijk naar die uitspraak verwezen. Volgens de rechtbank volgt uit die uitspraak dat het door appellant geleden nadeel geheel binnen het normale maatschappelijke risico valt. Niet kan worden gezegd dat de rechtbank daarmee ambtshalve de grondslag van het bestreden besluit heeft aangevuld.
Met de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2022 staat vast dat de intrekking van de toestemming per 20 februari 2021 om binnen de politieorganisatie tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten, rechtmatig is. Het is verder niet in geschil dat appellant zijn nevenwerkzaamheden als tolk/vertaler in zijn eigen tijd verrichtte in de hoedanigheid van zzp’er. Het standpunt van appellant komt er in de kern op neer dat er volgens hem bijzondere omstandigheden zijn op basis waarvan moet worden geoordeeld dat zijn nadeel het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico overstijgt. Hij heeft er daarbij op gewezen dat aan de Notitie lange tijd geen uitvoering is gegeven en dat de Notitie in die periode ook niet bekend is gemaakt. Pas in december 2019 raakte hij op de hoogte van dat beleid. De nadien verleende afbouwperiode van zes maanden, die afliep op 20 februari 2021, was volgens appellant te kort. Hij heeft in dat verband naar voren gebracht dat hij bijzondere opdrachten uitvoerde met extra veiligheidsrisico’s, dat daarvoor door de opdrachtgever een dringend beroep op hem werd gedaan en dat die opdrachten maandelijks vele uren inzet – ook op ongebruikelijke tijdstippen – vergden, zodat hij daarmee een relatief zeer hoog neveninkomen genereerde. Mede gezien zijn langdurige en grote inzet voor de politie is het volgens appellant redelijk dat hem tot aan zijn pensioen (volledige) compensatie wordt geboden voor het wegvallen van die inkomsten. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij niet op 1 december 2025 met pensioen is gegaan, zoals hij aanvankelijk van plan was, maar op 1 juni 2026.
De Raad volgt appellant niet in zijn betoog. Daarvoor is het volgende van belang.
De korpschef heeft op basis van het in 1.3 genoemde beleid de eerder aan appellant verleende toestemming om de nevenwerkzaamheden als tolk/vertaler voor de politie te verrichten beëindigd. Zoals in de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2022 is overwogen is de achtergrond daarvan dat, ongeacht welke functie de ambtenaar binnen de politie vervult, (de schijn van) belangenverstrengeling en (imago)schade voor de politie moet worden voorkomen en is dit onvoldoende gewaarborgd als nevenwerkzaamheden worden verricht als tolk/vertaler voor de politie. Hierbij spelen ook de maatschappelijke ontwikkelingen een rol, waarbij sprake is van een toenemend kritische opstelling van burgers richting de overheid en de politie in het bijzonder. Dit zijn in het algemeen omstandigheden waar een ambtenaar rekening mee moet houden.
Verder is in de uitspraak van 27 oktober 2022 overwogen dat appellant de nevenwerkzaamheden op oproepbasis en zonder werkgarantie verrichtte, en dat de wens van een opdrachtgever om niet langer van de diensten van een zzp’er gebruik te maken in beginsel tot het normale ondernemersrisico behoort. De bijzondere omstandigheden waaronder appellant zijn nevenwerkzaamheden verrichtte en de omvang daarvan maken dat niet anders. Zoals eerder is geoordeeld heeft de korpschef, gelet op de afbouwperiode van zes maanden, de toestemming om binnen de politieorganisatie de desbetreffende nevenwerkzaamheden te verrichten mogen beëindigen. In ieder geval in december 2019 is appellant op de hoogte geraakt van het in de Notitie neergelegde beleid. Vanaf 17 december 2019 werd appellant niet meer ingeschakeld om binnen de politieorganisatie tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten in verband met het in 1.7 bedoelde incident. Die beslissing heeft in de civiele procedure standgehouden. Het was appellant vanaf 17 december 2019 en ook gedurende en na de latere afbouwperiode van zes maanden wel uitdrukkelijk toegestaan om buiten de politieorganisatie tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten. Van die mogelijkheid heeft appellant om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt.
Gelet op alle omstandigheden van het geval kan niet worden gezegd dat de door appellant gestelde schade die hij na afloop van de afbouwperiode heeft geleden, het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico overstijgt. Daarom kan en zal de Raad in het midden laten of in dit geval is voldaan aan het vereiste van een speciale last.
Conclusie en gevolgen
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek van appellant om hem nadeelcompensatie te verlenen, gehandhaafd blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders als voorzitter en B. Serno en J.P. Loof als leden, in tegenwoordigheid van S. Ploum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026.