Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag WUV-uitkering op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat…
Centrale Raad van Beroep, 23 september 2004
ECLI:NL:CRVB:2004:AR3196 · Centrale Raad van Beroep · 23 september 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-crvb-2004-ar3196
Zaakgegevens
Op 23 september 2004 heeft de Centrale Raad van Beroep in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03/3585 WUV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2004:AR3196
Samenvatting
Afwijzing aanvraag WUV-uitkering op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Uitspraak
03/3585 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verweerster heeft bij besluit van 28 mei 2003, kenmerk JZ/W60/2003/0349, gehandhaafd haar beslissing dat wijlen de echtgenoot van eiseres, [betrokkene], geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres het met het bestreden besluit niet eens is.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 12 augustus 2004.
Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiseres in april 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder: de Wet) als weduwe van [betrokkene] (hierna: betrokkene), die op 11 augustus 1986 is overleden. In dit verband heeft eiseres gesteld dat betrokkene, die sinds 1940 dienst deed bij de “Gouvernementsmarine”, tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangen is geweest op verschillende plaatsen in Nederlands-Indië.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit d.d. 25 november 2002, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, primair op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat blijkens de informatie van het Bureau Registratie en Informatie Ontslagen Personeel en het Centraal Archievendepot van het Ministerie van Defensie, het Nationaal Archief en in de archieven van het voormalige Bureau Overzeese Pensioenen en overige verweerster ter beschikking staande archieven, geen gegevens zijn aangetroffen die het relaas van eiseres omtrent betrokkene bevestigen.
Objectieve gegevens die het beroep van eiseres anderszins ondersteunen, zijn ook overigens niet aanwezig.
De Raad weegt mee hetgeen ter terechtzitting door verweerster is medegedeeld, namelijk dat verweerster, bij nader onderzoek naar de door eiseres in haar beroepschrift genoemde getuigen, niet is gebleken dat betrokkene in de nabijheid van de ondergang van de Ryuku Maru kan zijn geweest. Ook komt de naam van betrokkene niet voor in de dossiers van de genoemde getuigen.
Tegen deze achtergrond heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden de aanvraag van eiseres afgewezen, aangezien op grond van objectieve gegevens niet voldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2004
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A. de Gooijer.
HD
08.09