Socialezekerheidsrecht
Voorliggende voorziening; WW-uitkering; maatregel; aanvullende bijstand.
Centrale Raad van Beroep, 20 juni 2000
ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8878 · Centrale Raad van Beroep · 20 juni 2000
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2000-zb8878
Zaakgegevens
Op 20 juni 2000 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 juni 2000
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 98/5545 NABW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8878
Samenvatting
Voorliggende voorziening; WW-uitkering; maatregel; aanvullende bijstand.
Uitspraak
98/5545 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A en B, beiden wonende te C, appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellanten heeft mr Ph. van Zinnicq Bergmann, advocaat te Eindhoven, op
bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen een door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 29 mei 1998
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 januari 2000 is namens gedaagde een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 mei 2000, waar appellanten zijn
verschenen bij hun gemachtigde mr Zinnicq Bergmann, voornoemd, en waar gedaagde
zich heeft laten vertegenwoordigen door drs R.A.J. Wilbers, werkzaam bij gedaagdes gemeente.
II. MOTIVERING
Appellant A is op 20 juni 1996 op staande voet ontslagen bij X B.V. te Y, wegens
ongeoorloofde afwezigheid van zijn werk. Hij is door het bestuur van de
voormalige bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische
industrie terzake van dit ontslag bij besluit van 18 juli 1996 met ingang van 20 juni 1996
in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), waarbij
een sanctie is toegepast van 30% gedurende 21 weken. Dit sanctiebesluit is rechtens
onaantastbaar geworden.
Omdat appellanten als gevolg van genoemde sanctie een inkomen ontvingen dat
f 564,92 per maand minder was dan de voor hen als echtpaar geldende
bijstandsnorm hebben zij op 26 juli 1996 gedaagde verzocht om een aanvullende
uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Namens gedaagde is op dit verzoek afwijzend beslist bij besluit van 16 augustus
1996, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 27 november 1996.
De rechtbank heeft het namens appellanten tegen dit besluit ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat gedaagde zich op
het standpunt stelt dat in beginsel dient te worden aangesloten bij een in het
kader van de WW opgelegde sanctie en dat in het algemeen voor aanvullende
bijstandsverlening geen plaats is. Dit leidt slechts uitzondering indien - zoals
is neergelegd in de door de Dienst Algemeen Welzijn gehanteerde richtlijnen -
'het inkomen als gevolg van de sanctie van de bedrijfsvereniging onredelijk veel
lager is dan de betreffende bijstandsnorm minus de sanctie welke door de Dienst
AW zou zijn opgelegd'. Gedaagde acht deze uitzondering niet van toepassing.
Evenals gedaagde heeft de rechtbank geoordeeld dat het in het licht van artikel
17, eerste lid, van de Abw, respectievelijk artikel 14, eerste lid, van de Abw,
onwenselijk dient te worden geacht dat door middel van toekenning van bijstand
een aan de Abw voorliggende voorziening (de WW) wordt doorkruist dan wel dat een
aan de belanghebbende te wijten tekort aan financiële middelen op die wijze
geheel of ten dele zou worden gecompenseerd.
De Raad acht dat uitgangspunt niet juist en overweegt terzake het volgende.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7 van de Abw heeft iedere Nederlander, die
hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij
niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te
voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voorzover een
beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en
doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
De aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WW is slechts als een
voorliggende voorziening voor appellanten aan te merken voor zover hij
daadwerkelijk voor zodanige uitkering in aanmerking is gebracht. Nu appellant
als gevolg van de opgelegde sanctie gedurende 21 weken geen volledige aanspraak
op uitkering aan die wet kan ontlenen, kan de WW in zoverre niet als voorliggende
voorziening in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Abw worden aangemerkt.
Appellanten hadden op de datum van aanvraag een inkomen dat f 564,92 lager was
dan de voor hen geldende bijstandsnorm, zodat op hen het bepaalde in artikel 7
van de Abw van toepassing was.
Het vorenstaande houdt in dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel
7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan
blijven; de aangevallen uitspraak kan evenmin worden gehandhaafd.
Gedaagde zal terzake van de aanvraag van appellanten om (aanvullende) uitkering
ingevolge de Abw een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming
van het bepaalde in deze uitspraak. Gedaagde kan dan, rekening houdend met de
daarbij relevante omstandigheden, bezien of aan appellanten een maatregel op
grond van het ten tijde in geding van toepassing zijnde artikel 14 van de Abw
juncto het Sanctiebesluit Abw, Ioaw en Ioaz dient te worden opgelegd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te
veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep ad f 1.420,-- en in
hoger beroep ad f 1.420,--, in totaal derhalve f 2.840,--.
Beslist moet worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van
deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag, groot f
2.840,--, te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellanten het in beroep en hoger beroep
gestorte griffierecht van in totaal f 210,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr J.G. Treffers als voorzitter en mr Ch. de Vrey en
mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr P.C. de
Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2000.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.C. de Wit.
HL
1406