Socialezekerheidsrecht
Vastgestelde eigen bijdrage in het kader van de AWBZ In verband met het verblijf van betrokkene in een…
Centrale Raad van Beroep, 17 november 2004
ECLI:NL:CRVB:2004:AR7512 · Centrale Raad van Beroep · 17 november 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2004-ar7512
Zaakgegevens
Op 17 november 2004 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 november 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 02/5956 AWBZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2004:AR7512
Samenvatting
Vastgestelde eigen bijdrage in het kader van de AWBZ In verband met het verblijf van betrokkene in een verpleeghuis.
Uitspraak
H E T P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 17 november 2004
van de meervoudige kamer
Datum: 17 november 2004
Zitting hebben: mr. M.I. ’t Hooft , als voorzitter, mr. G.M.T. Berkel-Kikkert en
mr. C.J. Borman, als leden. Griffier: B.M. Biever-van Leeuwen
2e Zaak, reg.nr: 02/5956 AWBZ
Inzake: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, verschenen bij gemachtigde
K.L. Wieten,
tegen
OWM Ziekenfonds Het Groene Land U.A. te Zwolle, gedaagde, verschenen bij gemachtigde mr. H. Kreeft
Bij het bestreden besluit heeft gedaagde vastgehouden aan de in verband met het verblijf van appellant in een verpleeghuis op ? 1967,14 (€ 892,65) vastgestelde eigen bijdrage in het kader van de AWBZ.
De rechtbank Zwolle heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 25 oktober 2002, reg.nr. 02/220 AWBZ, met vermelding van de toepasselijke bij en krachtens de AWBZ gestelde imperatieve voorschriften ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de grief van appellant dat het hem per maand resterende bedrag voor persoonlijke uitgaven naar zijn mening ontoereikend is zodat hij gedwongen inteert op het eigen vermogen, verworpen. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage van onjuiste bedragen is uitgegaan en dat het appellant resterende vrij besteedbare inkomen na afdracht van de eigen bijdrage niet onder het ten tijde van belang geldende zakgeldbedrag van ? 432,50 (€ 196,26) per maand komt.
De Raad heeft in hetgeen door appellant - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - in hoger beroep is aangevoerd noch in de in dit geval van toepassing zijnde regelgeving aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en beslist daarom als volgt:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 22 november 2004
De plv. griffier. De fungerend voorzitter.
B.M. Biever-van Leeuwen M.I. ’t Hooft
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.