Socialezekerheidsrecht
Te late betaling griffierecht in hoger beroep.
Centrale Raad van Beroep, 29 december 2004
ECLI:NL:CRVB:2004:AS1926 · Centrale Raad van Beroep · 29 december 2004
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2004-as1926
Zaakgegevens
Op 29 december 2004 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 december 2004
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 03/5696 WW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2004:AS1926
Samenvatting
Te late betaling griffierecht in hoger beroep.
Uitspraak
03/5696 WW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 1 oktober 2004 tussen partijen gegeven uitspraak, kenmerk AWB 03/105.
Bij uitspraak van 10 maart 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald.
Tegen deze uitspraak heeft opposant bij schrijven van 20 april 2004 verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 november 2004. Partijen zijn niet verschenen.
II. MOTIVERING
In verzet heeft opposant aangevoerd dat de te late betaling van enkele dagen alles te maken heeft met de ernstige financiële positie waarin hij verkeert.
Hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd is geen grond om de te late betaling van het griffierecht te excuseren.
De Raad overweegt daartoe dat opposant zijn stelling, dat hij niet in staat was het griffierecht tijdig te voldoen, niet met enige stukken nader heeft onderbouwd. In de aangevoerde omstandigheid ziet de Raad dan ook geen reden om het niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar te achten.
Het verzet moet derhalve ongegrond verklaard worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004.