Socialezekerheidsrecht
Verzet. Toepassing Termijnenwet.
Centrale Raad van Beroep, 29 maart 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AT3526 · Centrale Raad van Beroep · 29 maart 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2005-at3526
Zaakgegevens
Op 29 maart 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 29 maart 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 04/2956 ANW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AT3526
Samenvatting
Verzet. Toepassing Termijnenwet.
Uitspraak
04/2956 ANW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens opposante heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 april 2004, kenmerk AWB 03/1359 ANW.
Bij uitspraak van 17 september 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Mr. Hilkens, voornoemd, is van die uitspraak in verzet gekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 15 februari 2005, waar voor opposante is verschenen mr. C.E.M. Bocken, kantoorgenoot van mr. Hilkens, en waar geopposeerde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 17 september 2004 terecht heeft geoordeeld dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is te achten.
Hetgeen in het verzetschrift en ter zitting is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 17 september 2004.
De Raad merkt hierbij op dat ingevolge de Algemene Termijnenwet een op basis van een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd wordt tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. De in de brief van 9 juli 2004 gestelde termijn van twee weken eindigde op vrijdag 23 juli 2004.
Ten slotte merkt de Raad nog op dat de gemachtigde van opposante bij de brief van 9 juli 2004 alsnog in de gelegenheid is gesteld het verzuim binnen die termijn te herstellen. Ingevolge artikel 6:6 in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is de Raad bevoegd om aan overschrijding van die termijn het gevolg van een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep te verbinden. Van reden op grond waarvan de Raad van die bevoegdheid geen gebruik zou moeten maken, is in deze verzetsprocedure ook overigens niet gebleken.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb, ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van H.H.M. Ho als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2005.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) H.H.M. Ho.