Socialezekerheidsrecht
Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Vergrijp.
Centrale Raad van Beroep, 7 juli 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AT9118 · Centrale Raad van Beroep · 7 juli 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2005-at9118
Zaakgegevens
Op 7 juli 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 04/4642 ALGEM
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AT9118
Samenvatting
Privaatrechtelijke dienstbetrekking. Vergrijp.
Uitspraak
ENKELVOUDIGE KAMER
04/4642 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. C.M. Mostert, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder kenmerk 03/1436 door de rechtbank Arnhem op 13 juli 2004 gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (verder: betrokkenen), zulks overeenkomstig het in het bestreden besluit op bezwaar van gedaagde neergelegde standpunt van gedaagde. De door appellante aangevoerde gronden met betrekking tot de beloning van betrokkenen en het ontbreken van een gezagsrelatie tussen appellante en betrokkenen kunnen volgens de rechtbank niet leiden tot vernietiging van het in beroep bestreden besluit. Ten aanzien van de opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank geoordeeld dat terecht is uitgegaan van een vergrijp. Voorts is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de opgelegde boeten niet evenredig zijn aan de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de door appellante gepleegde overtreding.
Evenals de rechtbank moet de Raad de aan de orde zijnde vragen bevestigend beantwoorden. De Raad onderschrijft daarbij het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.
Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.