Socialezekerheidsrecht
Weigering uitstel van betaling van de premieschuld. Toepassing beleid.
Centrale Raad van Beroep, 7 juli 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AT9359 · Centrale Raad van Beroep · 7 juli 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2005-at9359
Zaakgegevens
Op 7 juli 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 7 juli 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 04/2866 CSV
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AT9359
Samenvatting
Weigering uitstel van betaling van de premieschuld. Toepassing beleid.
Uitspraak
04/2866 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft drs. J. van Leeuwaarden, belastingadviseur te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2004, reg.nr. 03/1976.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen geregistreerd onder nummers 04/2864, 04/2869 en 04/2871, behandeld ter zitting van 9 juni 2005. Daar heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door drs. J. van Leeuwaarden en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In deze gedingen wordt - heden - afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft gedaagde het verzoek van appellant om uitstel van betaling van de premieschuld, waarvoor hij bij besluit van 5 december 2002 aansprakelijk was gesteld, afgewezen op de grond dat door appellant geen bankgarantie was verstrekt. Dit besluit heeft gedaagde in bezwaar bij besluit van 28 mei 2003 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 mei 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gedaagde is bevoegd om het gevraagde uitstel van betaling te verlenen. Het ter zake door gedaagde gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit incasso en invordering. Dat beleid houdt, samengevat, in dat onder voorwaarden een betalingsregeling of, in het geval van tijdelijke liquiditeitsproblemen, een tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting mogelijk is. Met dat beleid is gedaagde naar het oordeel van de Raad gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Ook heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval een juiste toepassing gegeven aan dit beleid. Met betrek-king tot hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de met gedaagde getroffen betalings-regeling volstaat de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van heden met registratie nummer 04/2871.
In hetgeen overigens nog is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) J.P. Mulder.