Socialezekerheidsrecht
Ongegrond verzet. Griffierecht was niet tijdig betaald. Geen gegronde reden voor verzuim.
Centrale Raad van Beroep, 19 juli 2005
ECLI:NL:CRVB:2005:AT9973 · Centrale Raad van Beroep · 19 juli 2005
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2005-at9973
Zaakgegevens
Op 19 juli 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 juli 2005
- Datum publicatie
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 04/7147 NABW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2005:AT9973
Samenvatting
Ongegrond verzet. Griffierecht was niet tijdig betaald. Geen gegronde reden voor verzuim.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E U I T S P R A A K
04/7147 NABW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 is het door opposant ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 december 2004,
reg.nr. 04/597 WWB, niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend.
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 28 juni 2005, waar opposant is verschenen. Geopposeerde heeft zich - zoals tevoren bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De uitspraak van de Raad van 29 maart 2005 steunt kort samengevat hierop, dat het bij het instellen van het hoger beroep ingevolge artikel 22 van de Beroepswet verschuldigde griffierecht van € 102,-- niet binnen de door de laatstelijk aangetekend verzonden brief van 7 februari 2005 gestelde termijn van vier weken is betaald en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
In geding is de vraag of het hoger beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn genoemde uitspraak gegeven.
In het verzetschrift en ter zitting is door opposant meegedeeld dat hij tijdens de gestelde termijn het verschuldigde griffierecht niet kon betalen.
De Raad ziet in deze - niet nader onderbouwde - stelling van opposant geen grond om te oordelen dat opposant het verzuim niet kan worden tegengeworpen.
Daarbij tekent de Raad aan dat opposant niet binnen de gestelde termijn aan de Raad om uitstel voor betaling van het verschuldigde griffierecht heeft verzocht.
Gelet op het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Awb ongegrond te verklaren.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2005.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) S.W.H. Peeters.
RB3006