Socialezekerheidsrecht

Weigering toekenning ziekengelduitkering, omdat betrokkene tijdens ziekte recht had op loondoorbetaling.

Centrale Raad van Beroep, 22 november 2006

Zaakgegevens

Op 22 november 2006 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
22 november 2006
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
04-4970 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2909
E-mail

Samenvatting

Weigering toekenning ziekengelduitkering, omdat betrokkene tijdens ziekte recht had op loondoorbetaling.

Uitspraak

04/4970 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[verzoeker] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 augustus 2004, 03/1515 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006.

Appellante is niet verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smits.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 1 mei 1995 voor één dag in de week als verkoopster gaan werken [S.]aam werkgever]. Op 1 oktober 1995 is haar werktijd uitgebreid tot 24 uur per week en wel in die zin, dat zij één dag bleef werken in Voerendaal en twee dagen per week in het filiaal te Schinveld ging werken. Op 30 augustus 2002 heeft appellante zich bij haar werkgever [S.] ziek gemeld. Op 10 oktober 2002 heeft zij weliswaar haar werk hervat, maar op 14 oktober 2002 is zij opnieuw uitgevallen.

Het filiaal in Schinveld is op 15 oktober 2002 overgenomen door de heer [V. E.]. Bij beschikking van 28 maart 2003 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [S.] en appellante betreffende de werkzaamheden te Schinveld, zijnde 16 uren per week, met ingang van 1 april 2003 ontbonden, voor zover deze niet reeds rechtsgeldig was geëindigd.

[V. E.] heeft het dienstverband met appellante, voor zover bestaand, met ingang van 30 april 2003 opgezegd.

Bij brief van 24 maart 2003 heeft appellante zich in verband met haar ziekmelding van 30 augustus 2002 tot het Uwv gewend en daarbij melding gemaakt van de beëindiging van haar dienstverband voor 16 uren per week per 1 april 2003.

Bij brief van 30 juli 2003 is appellante vanwege het Uwv in kennis gesteld van het besluit om haar geen ziekengelduitkering toe te kennen, omdat zij tijdens ziekte recht had op loondoorbetaling. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarbij onder meer is aangevoerd dat appellante in elk geval vanaf 30 april 2003 geen recht meer had op loon en dus vanaf die datum recht had op ziekengelduitkering.

Bij besluit van 14 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de aangifte van arbeidsongeschiktheid betrekking had op 30 augustus 2002, dat appellante toen nog één dag per week werkzaam was en recht had op loondoorbetaling. Voor de overige uren dat appellante voor werkgever [S.], dan wel [V. E.] werkzaam was, is volgens het Uwv geen ziekmelding ontvangen, zodat een en ander niet bij de beoordeling is betrokken.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen.

De Raad stelt in navolging van het Uwv vast dat de aanvraag om ziekengelduitkering betrekking had op bij appellante op

30 augustus 2002 ingetreden ongeschiktheid tot werken. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv deze ziekmelding echter te beperkt opgevat. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat appellante – in overeenstemming met het bepaalde in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Ziektewet (ZW) – met haar aanvraag beoogde in aanmerking te komen voor een ziekengelduitkering met ingang van de datum waarop haar dienstverband eindigde. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad ook erkend dat appellante gelet op voormelde bepaling van de ZW met ingang van 1 april 2003 recht had op uitkering ingevolge de ZW.

Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW niet in stand kan worden gelaten. Ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.