Socialezekerheidsrecht
Weigering verdere ZW-uitkering te verstrekken. Voldoende medische grondslag. Dat de…
ECLI:NL:CRVB:2009:BK6876 · Centrale Raad van Beroep · 16 december 2009
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2009-bk6876
Zaakgegevens
Op 16 december 2009 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 16 december 2009
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 07-6083 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2009:BK6876
Samenvatting
Weigering verdere ZW-uitkering te verstrekken. Voldoende medische grondslag. Dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de beoordeling van de psychische klachten en de rugklachten geen gebruik hebben gemaakt van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737, waarin de Raad heeft overwogen dat deze protocollen niet van toepassing zijn bij een ZW-beoordeling.
Uitspraak
07/6083 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 oktober 2007, kenmerk 07/668 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Osinga, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.
II. OVERWEGINGEN
1.1. In verband met zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van rugklachten ontvangt appellant sedert 1987 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellant is laatstelijk van 1 april 2002 tot 1 april 2004 werkzaam geweest als conciërge op een basisschool voor 20 uur per week. Nadien heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen.
1.2. Appellant heeft zich op 9 augustus 2006 ziek gemeld vanwege nek-, schouder- en rechterarmklachten vanuit een situatie dat hij een gedeeltelijke uitkering ingevolge de WW ontving en een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant het spreekuur bezocht van de bedrijfsarts C. Trippelvitz. Deze arts heeft appellant per 24 november 2006 hersteld verklaard voor zijn werk als conciërge. Bij besluit van 16 november 2006 heeft het Uwv per 24 november 2006 verdere uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd.
1.3. Het tegen het besluit van 16 november 2006 gerichte bezwaar van appellant is na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries bij besluit van 9 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanleiding ziet het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig of onvolledig te achten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts op voldoende wijze inzichtelijk gemaakt dat appellant de werkzaamheden van conciërge kan verrichten.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Naar aanleiding daarvan merkt de Raad het volgende op. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij naast zijn lichamelijke klachten ook psychische klachten heeft en verwijst daarvoor naar de ingebrachte informatie van de huisarts H.W. Wybenga van 26 november 2007. Appellant is van mening dat de (bezwaar)verzekeringsarts ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de psychische klachten. Naar het oordeel van de Raad kan uit de informatie van de huisarts niet worden afgeleid dat op de datum in geding, te weten 26 november 2006, sprake was van psychische klachten. Pas in november 2007 maakt de huisarts melding van symptomen van een depressie. De Raad verwijst in dit verband nog naar het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts De Vries, zoals vermeld in diens rapport van 15 januari 2008.
3.3. Ten aanzien van appellants grief dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij de beoordeling van de psychische klachten en de rugklachten geen gebruik hebben gemaakt van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737, waarin de Raad heeft overwogen dat deze protocollen niet van toepassing zijn bij een ZW-beoordeling.
3.4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.2 en 3.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.M. Tason Avila.
EK