Socialezekerheidsrecht
Het hoger beroep van appellant dient mitsdien vanwege het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk…
Centrale Raad van Beroep, 12 januari 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BL0648 · Centrale Raad van Beroep · 12 januari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2010-bl0648
Zaakgegevens
Op 12 januari 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 12 januari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09-5276 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BL0648
Samenvatting
Het hoger beroep van appellant dient mitsdien vanwege het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Appellant is alsnog per 15 september 2008 ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Appellant kan met de onderhavige procedure niet meer bereiken dan hij inmiddels heeft bereikt. Nu het Uwv eerst met het nadere besluit van 22 september 2009 aan appellant is tegemoet gekomen, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Uitspraak
P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak van de
CENTRALE RAAD VAN BEROEP
Enkelvoudige kamer
Datum: 12 januari 2010
Aanvang: 10.40 uur
Zitting heeft: mr. I.M.J. Hilhorst-Hagen, lid van de enkelvoudige kamer griffier: T.J. van der Torn
3e Zaak, reg.nr.: 09/5276 WAO
Inzake: [Appellant], wonende te [woonplaats], appellant, verschenen bij gemachtigde mr. R. Küçükünal, advocaat te Rotterdam,
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde, hierna: Uwv, vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. Küçükünal, hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer en heeft gedateerd 22 september 2009 een nieuw besluit op het bezwaar van appellant genomen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 20 februari 2009, waarbij het bezwaar van appellant tegen de herziening van zijn WAO-uitkering per 15 september 2008 ongegrond is verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
3. Op 22 september 2009 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het bezwaar is gegrond verklaard en appellant wordt alsnog op en na 15 september 2008 80-100% arbeidsongeschikt geacht.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met het besluit van 22 september 2009 is appellant alsnog per 15 september 2008 ingedeeld in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse. Appellant kan met de onderhavige procedure niet meer bereiken dan hij inmiddels heeft bereikt.
4.3. Uit de uitspraak van de Raad van 6 november 2009, LJN BK3059, 08/3182 WIA, volgt dat in zo’n geval het belang bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak vervalt, tenzij er een belang bij een gegrondverklaring van het ingestelde beroep bestaat omdat appellant om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gevraagd.
Appellant heeft niet bestreden dat een belang als vorenbedoeld hier niet aan de orde is.
4.4. Het standpunt van appellant dat hij wel belang heeft bij een oordeel over de uit zijn klachten voortvloeiende beperkingen gaat eraan voorbij dat aan een herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid tegen een nieuwe datum een nieuwe medische beoordeling ten grondslag zal moeten liggen. Die nieuwe medische beoordeling kan in het kader van die herziening worden aangevochten. Het antwoord op de vraag of de medische situatie van appellant per 15 september 2008 in al zijn facetten juist is ingeschat speelt hierbij geen rol.
4.5. Het hoger beroep van appellant dient mitsdien vanwege het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Nu het Uwv eerst met het nadere besluit van 22 september 2009 aan appellant is tegemoet gekomen, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;
Bepaalt dat het Uwv het door appellant gestorte griffierecht van € 110,- aan hem vergoedt.
Het lid van de enkelvoudige kamer sluit het onderzoek.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 12 januari 2010
De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
T.J. van der Torn I.M.J. Hilhorst-Hagen
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.
CVG