Socialezekerheidsrecht
Appellant is overleden. Niet gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn…
Centrale Raad van Beroep, 14 januari 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BL3630 · Centrale Raad van Beroep · 14 januari 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2010-bl3630
Zaakgegevens
Op 14 januari 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 14 januari 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 06-1012 AOW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BL3630
Samenvatting
Appellant is overleden. Niet gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten. Ook na ’s Raads oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te mogen nemen. Nu het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Uitspraak
06/1012 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
Wijlen [appellant], in leven laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 januari 2006, 04/1905,
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de Svb)
Datum uitspraak: 14 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant is op 17 december 2006 overleden.
De echtgenoot van appellant heeft de Raad - mede namens haar twee uit haar huwelijk met appellant geboren kinderen - bij brief van 20 mei 2008 medegedeeld dat zij de procedure niet wensen voort te zetten. Daarbij heeft zij melding gemaakt van het feit dat appellant nog twee kinderen heeft uit een vorig huwelijk. De Raad heeft vervolgens deze kinderen aangeschreven op de van de executeur-testamentair van appellant verkregen adressen. De Raad heeft daarop - ook na rappel - geen reactie ontvangen. Ingevolge het gestelde in artikel 8:26, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad op 23 oktober 2009 in de Staatscourant doen aankondigen dat het geding op 3 december 2009 ter zitting behandeld zal worden en belanghebbenden gevraagd zich te melden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2009. Namens appellant is niemand verschenen. De Svb zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
2. De indiener van het hoger beroep [appellant] is op 17 december 2006 overleden. Gelet op hetgeen hiervoor onder rubriek I is vermeld, is de Raad is niet gebleken van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten. Ook na ’s Raads oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te mogen nemen. Nu het processuele belang aan de beoordeling van het hoger beroep is komen te ontvallen dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2010.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) W. Altenaar.
mm