Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering ingevolge de WWB. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat…
Centrale Raad van Beroep, 11 mei 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BM4126 · Centrale Raad van Beroep · 11 mei 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2010-bm4126
Zaakgegevens
Op 11 mei 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 11 mei 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 08-2967 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BM4126
Samenvatting
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering ingevolge de WWB. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante door geen concrete en verifieerbare gegevens over te leggen ten aanzien van de wijze waarop zij de door haar in juli 2006 gestarte onderneming heeft gefinancierd en de wijze waarop zij sinds juli 2006 - zonder inkomsten - in haar levensonderhoud heeft voorzien, en ook niet ten aanzien van de besteding van de opbrengst van twee in augustus en oktober 2006 verkochte auto’s met een gezamenlijke waarde van ongeveer € 27.000,--, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Uitspraak
08/2967 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 april 2008, 07/5251(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)
Datum uitspraak: 11 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van Rooijen, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 30 maart 2010, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Appellante heeft tot en met 30 juni 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Op 13 februari 2007 heeft appellante opnieuw bijstand aangevraagd. Deze aanvraag heeft het College - voor zover nog thans van belang - bij besluit van 18 september 2007 afgewezen. Het College heeft het daartegen gemaakte bezwaar van appellante bij besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante geen duidelijkheid heeft gegeven over haar financiële situatie voorafgaand aan de bijstandsaanvraag van 13 februari 2007, als gevolg waarvan het College niet heeft kunnen vaststellen dat appellante in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Voor de gronden van het hoger beroep heeft appellante verwezen naar hetgeen zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak uitvoerig heeft gemotiveerd dat en waarom hetgeen in beroep door appellante is aangevoerd geen afbreuk doet aan het besluit van 1 november 2007. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante, door geen concrete en verifieerbare gegevens over te leggen ten aanzien van de wijze waarop zij de door haar in juli 2006 gestarte onderneming heeft gefinancierd en de wijze waarop zij sinds juli 2006 - zonder inkomsten - in haar levensonderhoud heeft voorzien, en ook niet ten aanzien van de besteding van de opbrengst van twee in augustus en oktober 2006 verkochte auto’s met een gezamenlijke waarde van ongeveer € 27.000,--, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad onderschrijft de motivering van de aangevallen uitspraak en ziet in de enkele verwijzing naar de gronden die ook in bezwaar en beroep zijn aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank. Dit betekent dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2010.
(get.) C. van Viegen.
(get.) N.M. van Gorkum.
IvR