Socialezekerheidsrecht
Geen vergoeding kosten in bezwaar.
Centrale Raad van Beroep, 2 november 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BO2849 · Centrale Raad van Beroep · 2 november 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2010-bo2849
Zaakgegevens
Op 2 november 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 2 november 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 09-713 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BO2849
Samenvatting
Geen vergoeding kosten in bezwaar.
Uitspraak
09/713 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 december 2008, 08/3360 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (hierna: Dagelijks Bestuur)
Datum uitspraak: 2 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Noorlander, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 29 augustus 2007 heeft het Dagelijks Bestuur de aanvraag van appellant om zijn bijstandsuitkering te wijzigen naar de norm voor gehuwden afgewezen op de grond dat zijn echtgenote (nog) niet over een verblijfsvergunning beschikte.
1.2. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft het Dagelijks Bestuur de bijstandsuitkering van appellant vanaf 7 september 2007 gewijzigd en berekend naar de norm voor gehuwden naar aanleiding van de met ingang van die datum aan de echtgenote van appellant verleende verblijfsvergunning.
1.3. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 augustus 2007 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2008 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd gesteld dat hij recht heeft op vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
4.2. De Raad stelt vast dat het besluit van 29 augustus 2007 niet is herroepen. Bij het besluit van 8 februari 2008 is de norm waarnaar de bijstandsuitkering wordt berekend eerst gewijzigd met ingang van 7 september 2007, wat onverlet laat dat de weigering om de norm te wijzigen met ingang van een eerdere datum in stand is gebleven. Er is dus niet is voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarde voor vergoeding van die kosten.
4.3. De Raad volgt appellant voorts niet in zijn stelling dat het Dagelijks Bestuur in het verweerschrift van 5 augustus 2008 zou hebben gemeld geen bezwaar te hebben tegen de toekenning van een vergoeding van € 322,--. In dat verweerschrift heeft het Dagelijks Bestuur zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot vergoeding van de kosten in bezwaar terecht is afgewezen. Daarnaast is slechts vermeld dat hooguit recht bestaat op € 322,--, nu appellant noch zijn gemachtigde op de hoorzitting zijn verschenen.
4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 november 2010.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) J. de Jong.
HD