Socialezekerheidsrecht
Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor zijn werk. Geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten zijn…
Centrale Raad van Beroep, 24 december 2010
ECLI:NL:CRVB:2010:BO9951 · Centrale Raad van Beroep · 24 december 2010
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2010-bo9951
Zaakgegevens
Op 24 december 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 24 december 2010
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10-388 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2010:BO9951
Samenvatting
Weigering ziekengeld. Geschiktheid voor zijn werk. Geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten zijn toegenomen sinds de herziening van de WAO-uitkering.
Uitspraak
10/388 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 december 2009, 09/405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellant is, zoals hij had bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving, naast een gedeeltelijke WAO-uitkering, een WW-uitkering. Op 29 december 2008 heeft hij zich ziek gemeld en is hem een ZW-uitkering verstrekt. Bij besluit van 4 februari 2009 is deze uitkering met ingang van 9 februari 2009 beëindigd omdat hij ‘zijn werk’ weer kan doen.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 27 maart 2009 heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant op 9 februari 2009 ondanks zijn klachten ‘zijn werk’ kon verrichten. De rechtbank heeft in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor een andersluidend oordeel. De brief van psycholoog A. Yilmaz van 19 maart 2009 is daarvoor onvoldoende. Er is dus geen reden om aan te nemen dat de psychische klachten zijn toegenomen sinds de herziening van de WAO-uitkering. Dat appellant aanvankelijk is geaccepteerd voor de ZW en nadien een dagbehandeling heeft ondergaan maakt dit niet anders.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte zijn betoog - dat de situatie die heeft geleid tot de dagbehandeling van mei tot juli 2009 zich ook op 9 februari 2009 al voordeed - niet heeft gevolgd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij een verpleegkundige rapportage die ziet op de periode 13 mei tot 10 juli 2009 overgelegd alsmede een brief van PsyQ van 6 januari 2010.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd weerlegd en de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie leidt niet tot een andere conclusie. De verpleegkundige rapportage heeft geen betrekking op 9 februari 2009, maar op een periode ruim drie maanden later. De brief van PsyQ beschrijft enkel dat appellant klachten had maar geeft geen duidelijkheid omtrent de aard van de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen; bovendien is de brief niet afkomstig van een arts.
5. Het hoger beroep slaagt niet.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en H.G. Lubberdink als leden in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.L. de Gier.
KR