Socialezekerheidsrecht
Niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Het besluit van het Uwv komt geheel tegemoet aan de…
Centrale Raad van Beroep, 13 juli 2011
ECLI:NL:CRVB:2011:BR1527 · Centrale Raad van Beroep · 13 juli 2011
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2011-br1527
Zaakgegevens
Op 13 juli 2011 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 13 juli 2011
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10-5765 WW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2011:BR1527
Samenvatting
Niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Het besluit van het Uwv komt geheel tegemoet aan de bezwaren van appellant. Derhalve heeft appellant geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
Geen aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat de vader van appellant, niet is aan te merken als een deskundige.
Uitspraak
10/5765 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 september 2010 , 09/3645 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft op 30 maart 2011 een verweerschrift ingediend en een gewijzigde beslissing op bezwaar van diezelfde datum.
Appellant heeft de Raad laten weten zich te kunnen vinden in het gewijzigde besluit en hij heeft verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten.
Het Uwv heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde proceskostenveroordeling.
Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven behandeling ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met het besluit van 30 maart 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Dit besluit komt, gelet op de aangevoerde gronden, geheel tegemoet aan de bezwaren van appellant. Tussen partijen bestaat, gezien de inhoud van het besluit en hetgeen overigens is aangevoerd, geen geschil meer. Derhalve heeft appellant geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat [naam vader], de vader van appellant, niet is aan te merken als een deskundige die door appellant ter zitting van de rechtbank is meegebracht dan wel aan appellant een verslag heeft uitgebracht als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Bij brief van 15 oktober 2009 heeft appellant aan de rechtbank laten weten dat zijn vader als zijn gemachtigde zal optreden.
De kosten van een gemachtigde komen op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb alleen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het is de Raad niet gebleken dat de vader van appellant beroepsmatig rechtsbijstandverlener is, zodat de door appellant geclaimde kosten evenmin op die grond voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ter hoogte van € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
EV