Socialezekerheidsrecht
Beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Niet met medische gegevens onderbouwd, dat…
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0198 · Centrale Raad van Beroep · 4 januari 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2012-bv0198
Zaakgegevens
Op 4 januari 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 4 januari 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11-3258 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BV0198
Samenvatting
Beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. Niet met medische gegevens onderbouwd, dat appellant buiten staat is geweest tijdig een, althans voorlopig, beroepschrift te laten indienen.
Uitspraak
11/3258 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 april 2011, 10/2029 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011.
Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij brief van 11 oktober 2010 is appellant in kennis gesteld van een besluit, waarbij het bezwaar tegen een besluit tot terugvordering van ten onrechte betaalde Ziektewetuitkering, ongegrond is verklaard.
2. Bij faxbericht van 23 november 2010 heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 11 oktober 2010.
3. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn voor het instellen van beroep eindigde op 22 november 2010, zodat het beroep niet tijdig is ingesteld. De door appellant genoemde omstandigheden, hierin bestaande dat hij enkele weken last heeft gehad van een hernia heeft gelegen en niet bij machte was een brief te versturen, waren naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig bijzonder dat die een overschrijding van de beroepstermijn konden rechtvaardigen. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat hij (geheel) niet in staat is geweest om binnen de gestelde termijn een beroepschrift in te (laten) dienen dan wel ter post te (laten) bezorgen. De rechtbank heeft vervolgens met verwijzing naar artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij de laatste week van de beroepstermijn dermate veel last had van een hernia, dat hij niet in staat was iets zinnigs op papier te zetten.
5. De Raad ziet in de door appellant aangevoerde argumenten, die niet met medische gegevens zijn onderbouwd, evenals de rechtbank geen reden om aan te nemen dat appellant buiten staat is geweest tijdig een, althans voorlopig, beroepschrift te laten indienen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd bevat dan ook geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De Raad verenigt zich mitsdien met het oordeel van de rechtbank. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) I.J. Penning.
JL