Socialezekerheidsrecht
Intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan. Proceskostenveroordeling.
Centrale Raad van Beroep, 11 april 2012
ECLI:NL:CRVB:2012:BW2540 · Centrale Raad van Beroep · 11 april 2012
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2012-bw2540
Zaakgegevens
Op 11 april 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 11 april 2012
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 10-4037 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2012:BW2540
Samenvatting
Intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan. Proceskostenveroordeling.
Uitspraak
10/4037 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
(appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2010, 09/1935
(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], (betrokkene)
en
appellant
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 21 februari 2012 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 10 februari 2012 heeft mr. M.R. Vossen, advocaat, namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat door
mr. M.R. Vossen, advocaat, namens betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene heeft gedaan.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,-- in hoger beroep.
Hierbij merkt de Raad nog op dat de vergoeding van de proceskosten beperkt dient te worden tot de kosten van het hoger beroep nu appellant reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten in eerste aanleg.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van
P.N. Rijnsewijn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
GdJ