Socialezekerheidsrecht
Vaststelling en terugvordering pgb wegens het niet volledig verantwoorden van het toegekende bedrag. Gezien…
Centrale Raad van Beroep, 17 juli 2013
ECLI:NL:CRVB:2013:1047 · Centrale Raad van Beroep · 17 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-1047
Zaakgegevens
Op 17 juli 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 17 juli 2013
- Datum publicatie
- 17 juli 2013
- Zaaknummer
- 11-2566 AWBZ
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:1047
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vaststelling en terugvordering pgb wegens het niet volledig verantwoorden van het toegekende bedrag. Gezien het ontbreken van een verantwoording bestaat er geen enkele zekerheid dat de zorg waarvoor het pgb is verstrekt, daadwerkelijk is verleend. Terugvordering is geenszins onredelijk nu appellant geen recht heeft gehad op het hem bij voorschot uitgekeerde bedrag.
Procesgang
Uitspraak · 2011
ECLI:NL:RBROT:2011:1107Centrale Raad van Beroep · 17 juli 2013deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2013:1047
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
11/2566 AWBZ
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
10 maart 2011, 10/2520 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorgkantoor West-Brabant (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.H. Beerstecher, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 augustus 2011 heeft mr. L.M. Baltazar de Seixas, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Baltazar de Seixas. Het Zorgkantoor is met bericht niet verschenen.
OVERWEGINGEN
Het Zorgkantoor heeft aan appellant voor het jaar 2008 een persoonsgebonden budget (pgb) van € 16.970,06 toegekend. Bij besluit van 15 juni 2009 heeft het Zorgkantoor het pgb vastgesteld op € 3.754,55 wegens het niet volledig verantwoorden van het toegekende bedrag. Daarbij heeft het Zorgkantoor een bedrag van € 13.215,51 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 21 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellant tegen de vaststelling en terugvordering ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de door appellant aangevoerde omstandigheid dat alle gegevens bij zijn ex-partner liggen en dat hij afhankelijk is van haar medewerking niet afdoet aan zijn verantwoordelijkheid als houder van het pgb om zorg te dragen voor een goede verantwoording. Een belangenafweging leidt niet tot de conclusie dat terugvordering in het geval van appellant niet redelijk is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op het verhandelde ter zitting is slechts nog in geschil of de rechtbank terecht in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet tot een lagere vaststelling en - vervolgens - terugvordering heeft kunnen overgaan.
Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Zorgkantoor bij afweging van alle betrokken belangen tot vaststelling van het pgb op € 3.754,55 heeft kunnen komen. Door geen verantwoording in te dienen voor een deel van het verleende pgb over 2008 heeft appellant niet voldaan aan de verplichtingen verbonden aan het pgb. Het Zorgkantoor is daarom bevoegd het pgb lager vast te stellen dan de bij de verlening bepaalde bedragen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 30 januari 2008, LJN BC4315, en CRvB
22 september 2010, LJN BN9775) dient het Zorgkantoor bij de discretionaire bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen een afweging te maken tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger. Hierbij is tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang. Het Zorgkantoor heeft hetgeen appellant heeft aangevoerd niet doorslaggevend hoeven achten. Gezien het ontbreken van een verantwoording bestaat er geen enkele zekerheid dat de zorg waarvoor het pgb is verstrekt, daadwerkelijk is verleend. Dat pgb’s over andere jaren wel zijn verantwoord, zoals appellant heeft aangevoerd, maakt niet dat de zorg ook voor het jaar 2008 moet worden geacht te zijn geleverd. De door appellant gestelde omstandigheid dat zijn ex-echtgenote de benodigde gegevens niet wenst te verstrekken komt voor rekening en risico van appellant.
Ook in het kader van de terugvordering moet een belangenafweging plaatsvinden. Vast staat dat onverschuldigd is betaald. Het Zorgkantoor vordert onverschuldigd betaalde bedragen in beginsel terug. De Raad acht dit geenszins onredelijk nu appellant geen recht heeft gehad op het hem bij voorschot uitgekeerde bedrag. In de door appellant gestelde betalingsonmacht is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank niet met juistheid tot het oordeel is gekomen dat het Zorgkantoor tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Dat sprake is van een groot bedrag dat appellant moet terugbetalen en dat de terugbetaling hem zwaar zal vallen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden doen immers niet af aan het feit dat appellant geld heeft ontvangen waarop hij geen recht had en dat zulks in dit geval op geen enkele wijze is toe te rekenen aan het handelen van het Zorgkantoor.
Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 treft het hoger beroep geen doel en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) S. Aaliouli
GdJ