Socialezekerheidsrecht
De Raad sluit zich aan bij de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven overweging over de…
Centrale Raad van Beroep, 31 juli 2013
ECLI:NL:CRVB:2013:1234 · Centrale Raad van Beroep · 31 juli 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-1234
Zaakgegevens
Op 31 juli 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 juli 2013
- Datum publicatie
- 31 juli 2013
- Zaaknummer
- 12-129 WSF
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:1234
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De Raad sluit zich aan bij de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven overweging over de ‘ingebrekestelling’. De Raad merkt op dat namens de minister ter zitting excuses zijn gemaakt voor zover door een medewerker van hem niet de juiste informatie is verstrekt over de wijze van indiening van een ingebrekestelling. De grief van appellant ten aanzien van het achterwege blijven van een reactie van de minister op de door hem ingediende klachten valt buiten de omvang van dit geding.
Uitspraak
Centrale Raad van Beroep
12/129 WSF
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
1 december 2011, 11/1495 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft zijn moeder,[naam moeder], hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2013. Voor appellant is zijn moeder verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. E.H.A. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de minister, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 30 maart 2010 gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant komt in hoger beroep omdat hij verbolgen is over de wijze waarop de minister hem heeft bejegend. Dit betreft de wijze waarop is omgegaan met de per e-mail van
15 juli 2010 ingediende ingebrekestelling en het tot op heden achterwege zijn gebleven van een reactie op de door hem op 5 en 6 augustus 2010 ingediende klachten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De aangevoerde gronden leiden er niet toe dat het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak onjuist is.
De Raad sluit zich aan bij de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 4 gegeven overweging over de ‘ingebrekestelling’. De Raad merkt op dat namens de minister ter zitting excuses zijn gemaakt voor zover door een medewerker van hem niet de juiste informatie is verstrekt over de wijze van indiening van een ingebrekestelling.
De grief van appellant ten aanzien van het achterwege blijven van een reactie van de minister op de door hem ingediende klachten valt buiten de omvang van dit geding en dus kan de Raad daar geen oordeel over geven.
Uit wat is overwogen in 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.R. Schuurman