Socialezekerheidsrecht
Tussenuitspraak. Zorg indicaties. Noodzakelijke naschoolse opvang. De naschoolse opvang van appellant kan…
ECLI:NL:CRVB:2013:2399 · Centrale Raad van Beroep · 30 oktober 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-2399
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2013
- Datum publicatie
- 13 november 2013
- Zaaknummer
- 12-6549 AWBZ-T
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:2399
Samenvatting
Tussenuitspraak. Zorg indicaties. Noodzakelijke naschoolse opvang. De naschoolse opvang van appellant kan, gelet op het doel van de zorgfunctie en de aard en omvang van de naschoolse opvang, niet onder de zorgfunctie kortdurend verblijf worden geschaard. De geïndiceerde uren voor kortdurend verblijf zijn overigens ook feitelijk door appellant gebruikt om in de weekenden en tijdens de schoolvakanties te logeren. Evenmin is gebleken dat de naschoolse opvang voor appellant onder een andere geïndiceerde zorgfunctie is geïndiceerd. Dit heeft tot gevolg dat niet is voorzien in de noodzakelijk geachte naschoolse opvang. De Raad draagt CIZ op de gebreken in het besluit te herstellen.
Uitspraak
Inhoudsopgave
12/6549 AWBZ-T
Datum uitspraak: 30 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 november 2012, 12/856 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)
PROCESVERLOOP
Namens appellant, wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder[naam moeder], heeft
mr. L.T.M. Smets hoger beroep ingesteld.
Mr. J.M.M. Pater, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2013. Voor appellant is verschenen mr. Pater. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door O. Talhaoui.
OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende, voor deze beoordeling van belang zijnde, feiten.
Appellant heeft in maart 2011 bij CIZ een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Bij appellant, geboren in 2004, zijn de diagnoses autisme spectrumstoornis en verstandelijke beperking gesteld. CIZ heeft bij besluit van 8 april 2011 een indicatie gegeven, waartegen appellant bezwaar heeft gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 23 augustus 2011 heeft CIZ indicaties afgegeven voor de zorgfuncties begeleiding groep, begeleiding individueel, persoonlijke verzorging, kortdurend verblijf en behandeling individueel. Daartegen heeft appellant beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 augustus 2011 vernietigd met de opdracht aan CIZ een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. CIZ heeft dat gedaan bij besluit van 5 april 2012, gecorrigeerd bij besluit van 28 augustus 2012. Bij het besluit op bezwaar van 28 augustus 2012 heeft CIZ de omvang van de verschillende zorgfuncties als volgt vastgesteld:
begeleiding groep klasse 3 (3 dagdelen per week) ZIN
31 maart 2011 - 4 oktober 2011
begeleiding groep klasse 2 (2 dagdelen per week) ZIN
5 oktober 2011 - 30 maart 2016
begeleiding individueel klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week) ZIN
31 maart 2011 - 30 maart 2016
persoonlijke verzorging klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week) PGB
31 maart 2011 - 30 maart 2016
kortdurend verblijf klasse 2 (2 etmalen per week) ZIN
31 maart 2011 - 30 maart 2016
De termen ZIN en PGB staan voor zorg in natura en persoonsgebonden budget.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
5 april 2012, zoals gecorrigeerd bij besluit van 28 augustus 2012, ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich onder andere op het standpunt dat er te weinig uren voor de naschoolse opvang zijn geïndiceerd.
De Raad overweegt hierover het volgende. Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant als gevolg van zijn aandoeningen ernstig beperkt is en dat hij is aangewezen op AWBZ-zorg. Evenmin is in geschil dat appellant in de in geding zijnde periode was aangewezen op naschoolse opvang. Dit is afzonderlijk verwoord in het indicatiebesluit van 8 april 2011. In hoger beroep is in geschil of CIZ, uitgaande van appellants beperkingen en de noodzakelijke naschoolse opvang, de omvang van de indicatie juist heeft vastgesteld.
Tijdens de zitting van de Raad heeft CIZ naar voren gebracht dat in de in het besluit van 28 augustus 2012 neergelegde indicatie is voorzien in naschoolse opvang voor appellant. Volgens CIZ konden de geïndiceerde uren voor de zorgfunctie kortdurend verblijf zowel voor het logeren in de weekenden en in de schoolvakanties als voor naschoolse opvang voor appellant aangewend worden.
De Raad kan deze uitleg van CIZ niet volgen. De zorgfunctie kortdurend verblijf, klasse 2, omvat twee etmalen per week en is bedoeld voor logeeropvang in de weekenden en in de schoolvakanties. De naschoolse opvang van appellant kan, gelet op het doel van de zorgfunctie hiervoor genoemd en de aard en omvang van de naschoolse opvang, niet onder de zorgfunctie kortdurend verblijf worden geschaard. De geïndiceerde uren voor kortdurend verblijf zijn overigens ook feitelijk door appellant gebruikt om in de weekenden en tijdens de schoolvakanties te logeren. Evenmin is gebleken dat de naschoolse opvang voor appellant onder een andere geïndiceerde zorgfunctie is geïndiceerd. Dit heeft tot gevolg dat niet is voorzien in de noodzakelijk geachte naschoolse opvang.
Nu het besluit van 28 augustus 2012 niet deugdelijk is, zal de Raad CIZ met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdragen om het gebrek te herstellen. De Raad stelt de termijn waarbinnen dat gebrek moet worden hersteld vast op twee maanden na de datum waarop deze tussenuitspraak is gedaan.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt CIZ op binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 28 augustus 2012 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en A.J. Schaap en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.P. Ketting