Socialezekerheidsrecht
Weigering herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De…
ECLI:NL:CRVB:2013:BY9829 · Centrale Raad van Beroep · 25 januari 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-by9829
Zaakgegevens
Op 25 januari 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 januari 2013
- Datum publicatie
- 5 april 2013
- Zaaknummer
- 11-7554 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:BY9829
Samenvatting
Weigering herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant niet gebleken is dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. In dit verband is mede van belang dat appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat hij thans niet meer onderzocht wil worden door een bezwaarverzekeringsarts.
Uitspraak
11/7554 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 14 december 2011, 11/519 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 25 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde [E.]. Voor het Uwv is verschenen T. van der Weert.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontvangt per 16 december 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschikt van 15 tot 25%.
1.2. Op 20 mei 2010 heeft appellant verzocht om verhoging van zijn WAO-uitkering omdat hij meer klachten ondervindt.
2. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het Uwv geweigerd om per 1 januari 2009 de WAO-uitkering te herzien.
3. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 25 november 2010 ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat. Het medisch onderzoek is niet zorgvuldig verricht. Anders dan in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts is vermeld, was deze tijdens de hoorzitting niet aanwezig. Ten onrechte wordt aan de rapportages van de verzekeringsartsen meer waarde toegekend dan aan het medisch oordeel van een psychiater. Bij appellant is de diagnose PTSS gesteld. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat de primaire verzekeringsarts heeft toegezegd dat appellant een volledige WAO-uitkering zou krijgen als blijkt dat appellant in 2005 een psychiater heeft bezocht.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek niet onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant. Wat er ook zij van de stelling van appellant dat er bij de hoorzitting geen bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, niet gebleken is dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist is. In dit verband is mede van belang dat appellant ter zitting van de Raad heeft aangegeven dat hij thans niet meer onderzocht wil worden door een bezwaarverzekeringsarts.
Ook de stelling van appellant dat de primaire verzekeringsarts heeft toegezegd dat appellant een volledige WAO-uitkering zou krijgen als blijkt dat hij in 2005 een psychiater had bezocht, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke opmerking van een verzekeringsarts is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en ligt evenmin voor de hand.
6.3. Het verzoek van appellant aan de Raad om een onafhankelijke deskundige te benoemen, wordt niet ingewilligd. De hiervoor noodzakelijke twijfel aan de juistheid van het medisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende conclusies ontbreekt.
7. Uit 6.2 en 6.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) K.E. Haan
JL