Socialezekerheidsrecht
Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de medische…
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2804 · Centrale Raad van Beroep · 1 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-bz2804
Zaakgegevens
Op 1 maart 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 1 maart 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 11-6428 WIA
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2804
Samenvatting
Vaststelling geen recht op een WIA-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de medische beperkingen van appellant is voldoende inzichtelijk en toereikend. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv met betrekking tot het opleidingsniveau mocht uitgaan van de eigen opgave van appellant op het aanvraagformulier en in het gesprek met de arbeidsdeskundige.
Uitspraak
11/6428 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
29 september 2011, 11/1007 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 1 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. Vingerling, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door drs. mr. A. Boumanjal, kantoorgenoot van mr. Vingerling. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. Appellant is op 12 juni 2008 uitgevallen voor zijn werk als postsorteerder wegens beperkingen aan zijn rechterarm. Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 10 juni 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 11 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat naar haar oordeel het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de medische beperkingen van appellant voldoende inzichtelijk en toereikend is. Ten aanzien van de beroepsgrond over het opleidingsniveau is de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige terecht is uitgegaan van de door appellant zelf opgegeven opleidingsgegevens. De (bezwaar)-arbeidsdeskundigen hebben toereikend gemotiveerd waarom de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, de belastbaarheid van appellant zoals omschreven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 mei 2010 niet overschrijden. Ook overigens ziet de rechtbank, uitgaand van de juistheid van de door het Uwv bij appellant aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, geen aanleiding om te oordelen dat appellant de werkzaamheden behorende bij de hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald. Hij heeft benadrukt dat ten onrechte is uitgegaan van opleidingsniveau 2 bij de keuze van functies die voor appellant, rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt zouden zijn. Appellant heeft geen vervolgonderwijs gevolgd, de primaire arbeidsdeskundige heeft ten onrechte geen tolk gebruikt bij zijn onderzoek en de rechtbank is ten onrechte niet uitgegaan van de stelling van appellant in bezwaar en beroep.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft de bij haar ingediende beroepsgronden, die nagenoeg overeenkomen met de gronden zoals in hoger beroep aangevoerd, op juiste wijze in de aangevallen uitspraak weergegeven. De rechtbank heeft deze gronden beoordeeld en aangegeven waarom deze gronden niet slagen. De rechtbank heeft dit met juistheid gedaan. De Raad stelt zich dan ook volledig achter de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
4.2. Met betrekking tot het opleidingsniveau voegt de Raad daar nog aan toe dat hetgeen in hoger beroep is betoogd onvoldoende is om de beroepsgrond te laten slagen. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv mocht uitgaan van de eigen opgave van appellant op het aanvraagformulier en in het gesprek met de arbeidsdeskundige. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant desgevraagd gezegd dat hij tot zijn 17e jaar in Marokko onderwijs heeft gevolgd. Het komt de Raad niet aannemelijk voor dat het daarbij alleen is gegaan om lager onderwijs.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) D. Heeremans
IvR