Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar…
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3451 · Centrale Raad van Beroep · 6 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-bz3451
Zaakgegevens
Op 6 maart 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 6 maart 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 11-7456 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3451
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering omdat appellante niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. De bva heeft na onderzoek van appellante, bestudering van het dossier - waarin een beschrijving van het werk van appellante is opgenomen - en kennisneming van door de behandelend sector verstrekte informatie, in zijn rapport (...) overtuigend beargumenteerd dat appellante op de datum in geding niet ongeschikt is te achten voor haar arbeid. Daarbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan de omstandigheid dat appellante een ambulante functie vervulde waar autorijden een wezenlijk onderdeel van uitmaakte. Bij gebruik van adequate medicatie bestond hiertegen geen bezwaar. Aan voormeld oordeel doet niet af dat bij appellante in december 2011 bij controle door de gynaecoloog een tumor is geconstateerd in de rechtereierstok. In dit verband wordt verwezen naar het commentaar van de bva die in zijn rapport van 16 januari 2012 opmerkt dat een dergelijke bevinding in een vroeg stadium nog geen reden voor arbeidsongeschiktheid is. Nu deze bevinding pas in december 2011 is gedaan, maakt dit dan ook niet aannemelijk dat appellante op 1 april 2011 ongeschikt was voor haar werk.
Uitspraak
11/7456 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
25 november 2011, 11/865 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 6 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.E. de Jong, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2013. Namens appellante is verschenen mr. De Jong voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.
OVERWEGINGEN
1. Appellante is werkzaam geweest als ambulant hulpverlener in de jeugdzorg en heeft zich op 13 oktober 2009 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet na een gynaecologische operatie ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is aan haar een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
2. Bij besluit van 4 april 2011 heeft het Uwv de ZW-uitkering met ingang van 1 april 2011 beëindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 14 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 april 2011 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij beslissende betekenis toegekend aan het door bezwaarverzekeringsarts N. Visser op 11 juli 2011 uitgebrachte rapport. Hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd heeft de rechtbank niet kunnen leiden tot het oordeel dat voormeld rapport niet met de vereiste zorgvuldigheid en deskundigheid tot stand was gekomen.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen reden om van het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, af te wijken en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen niet te onderschrijven. Voornoemde bezwaarverzekeringsarts heeft na onderzoek van appellante, bestudering van het dossier - waarin een beschrijving van het werk van appellante is opgenomen - en kennisneming van door de behandelend sector verstrekte informatie, in zijn rapport van 11 juli 2011 overtuigend beargumenteerd dat appellante op de datum in geding niet ongeschikt is te achten voor haar arbeid. Daarbij is nadrukkelijk aandacht besteed aan de omstandigheid dat appellante een ambulante functie vervulde waar autorijden een wezenlijk onderdeel van uitmaakte. Bij gebruik van adequate medicatie bestond hiertegen geen bezwaar.
5.2. Aan voormeld oordeel doet niet af dat bij appellante in december 2011 bij controle door de gynaecoloog een tumor is geconstateerd in de rechtereierstok. In dit verband wordt verwezen naar het commentaar van voornoemde bezwaarverzekeringsarts die in zijn rapport van 16 januari 2012 opmerkt dat een dergelijke bevinding in een vroeg stadium nog geen reden voor arbeidsongeschiktheid is. Nu deze bevinding pas in december 2011 is gedaan, maakt dit dan ook niet aannemelijk dat appellante op 1 april 2011 ongeschikt was voor haar werk. Er is mitsdien ook geen reden om een nader medisch onderzoek te laten instellen.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D.E.P.M. Bary
JvC