Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag om bijstand over een afgesloten periode in het verre verleden. Het enkele feit dat…
ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4804 · Centrale Raad van Beroep · 19 maart 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-bz4804
Zaakgegevens
Op 19 maart 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 maart 2013
- Datum publicatie
- 8 april 2013
- Zaaknummer
- 11-6720 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4804
Samenvatting
Afwijzing aanvraag om bijstand over een afgesloten periode in het verre verleden. Het enkele feit dat appellant vanaf 20 januari 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit levert geen bijzondere omstandigheid op om appellant in afwijking van de hoofdregel alsnog voor bijstand in aanmerking te brengen over de in geding zijnde periode in 1984.
Uitspraak
11/6720 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 november 2011, 11/652 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 19 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2013. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 15 maart 2010, aangevuld bij brief van 11 augustus 2010, onder meer en voor zover hier van belang, verzocht hem bijstand toe te kennen over de periode van 1 juni 1984 tot en met 31 december 1984. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 29 november 2010 afgewezen op de grond dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om aan appellant bijzondere (lees: algemene) bijstand over een afgesloten periode in het verre verleden toe te kennen.
1.2. Bij besluit van 28 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hij sinds 20 januari 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit, zodat hij nu alsnog aanspraak kan maken op algemene bijstand over de periode van 1 juni 1984 tot en met 31 december 1984. Die bijstand zou hem destijds ten onrechte zijn onthouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (CRvB 21 maart 2006, LJN AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.2. Met de rechtbank moet worden geoordeeld dat het enkele feit dat appellant vanaf 20 januari 2010 de Nederlandse nationaliteit bezit geen bijzondere omstandigheid oplevert om appellant in afwijking van de onder 4.1 vermelde hoofdregel alsnog voor bijstand in aanmerking te brengen over de in geding zijnde periode in 1984. Appellant heeft verder op geen enkele wijze met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij voorafgaand aan 1 juni 1984 bijstand van het college heeft ontvangen en/of dat de bijstand per 1 juni 1984 is geblokkeerd dan wel ingetrokken. Van het terugkomen van een eerder genomen besluit dat op die periode betrekking heeft, kan reeds daarom, mede gelet op het ruime tijdsverloop, geen sprake zijn. Uit de door appellant overgelegde stukken valt overigens af te leiden dat hij op 16 augustus 1984 op last van de rechter Nederland is uitgezet, zodat - ook los van het voorgaande - appellant in ieder geval vanaf die datum geen recht (meer) had op bijstand. Gelet op een en ander treffen de aangevoerde beroepsgronden geen doel.
4.3. Wat in 4.2 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) R. Scheffer
QH