Socialezekerheidsrecht
Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Centrale Raad van Beroep, 8 mei 2013
ECLI:NL:CRVB:2013:CA0101 · Centrale Raad van Beroep · 8 mei 2013
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2013-ca0101
Zaakgegevens
Op 8 mei 2013 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 mei 2013
- Datum publicatie
- 22 juni 2013
- Zaaknummer
- 12-4745 WAO
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2013:CA0101
Samenvatting
Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
12/4745 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 februari 2012, 11/2326 WAO-V
Partijen:
[A. te B.] (verzoeker)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 8 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 27 februari 2012, 11/2326 WAO-V.
Het verzoek is op 29 maart 2013 op een zitting ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Bij de uitspraak van 27 februari 2012, waarvan thans herziening wordt verzocht, heeft de Raad het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van 22 juli 2011, 11/2326 WAO, ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde uitspraak heeft de Raad het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2011, 10/1358, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de aan verzoeker gestelde termijn is betaald. Het verzet is ongegrond verklaard omdat verzoeker niet met bewijsstukken heeft onderbouwd dat hij het griffierecht wel binnen de gestelde termijn heeft betaald.
2. In zijn verzoekschrift heeft verzoeker gewezen op zijn ernstige ziekte en gevraagd om hulp bij het realiseren van zijn rechten als arbeidsongeschikte. In reactie op een brief van de Raad, waarin uitleg is gegeven over artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verzoeker in de gelegenheid is gesteld zijn verzoek toe te spitsen op de eisen van artikel 8:88 van de Awb, heeft verzoeker de Raad gevraagd zijn dossier opnieuw te bekijken.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:88 van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2. Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad merkt op dat het aan verzoeker was om aan te tonen dat het gaat om feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór 27 februari 2012 en die bij verzoeker pas daarna bekend zijn geworden. Dat er feiten of omstandigheden met betrekking tot de betaling van het griffierecht waren die niet eerder naar voren konden worden gebracht is door verzoeker niet aangetoond met stukken en is evenmin op andere wijze gebleken.
3.3. De Raad merkt op dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak of over het daarbij toegepaste recht.
4. Dit betekent dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) J.R. Baas
sg