Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep · Hoger beroep · Socialezekerheidsrecht
Centrale Raad van Beroep, 22 april 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:1319 · Centrale Raad van Beroep · 22 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-1319
Zaakgegevens
Op 22 april 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 april 2014
- Datum publicatie
- 22 april 2014
- Zaaknummer
- 11-4623 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:1319
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Proceskostenveroordeling.
Procesgang
Uitspraak · 2011
ECLI:NL:RBBRE:2011:2963Centrale Raad van Beroep · 22 april 2014deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2014:1319
Overig
Uitspraak
Datum uitspraak: 22 april 2014
11/4623 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juni 2011, 10/4863 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de commissie sociale zekerheid van de gemeente Breda (commissie)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft op 9 juli 2013 een tussenuitspraak gedaan waarin aan de commissie is opgedragen om binnen zes weken het gebrek in het besluit van 6 oktober 2010 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Bij brief van 10 december 2013 heeft mr. Bronsveld namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de commissie te veroordelen in de proceskosten.
De commissie heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken omdat de commissie het gebrek in het besluit van 6 oktober 2010 heeft hersteld met inachtneming van de tussenuitspraak van 9 juli 2013. De commissie heeft besloten het bezwaar alsnog gegrond te verklaren, omdat geen sprake is van een maatregelwaardige gedraging.
Nu de commissie niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de commissie te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 29,40 aan reiskosten, in hoger beroep in totaal € 1.977,40.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de commissie in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.977,40.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2014.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) E. Blijleven-de Vries