Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag.
Centrale Raad van Beroep, 23 april 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:1351 · Centrale Raad van Beroep · 23 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-1351
Zaakgegevens
Op 23 april 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 april 2014
- Datum publicatie
- 23 april 2014
- Zaaknummer
- 13-3328 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:1351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag.
Uitspraak
13/3328 ZW
Datum uitspraak: 23 april 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
29 mei 2013, 13/643 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2014. Namens appellante is
mr. Dezfouli verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.J. Grasmeijer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is via een uitzendbureau werkzaam geweest als caissière voor 40 uur per week. Na een zwangerschap van 25 weken is zij op 1 april 2012 bevallen. In verband met haar zwangerschap en bevalling heeft zij een uitkering ontvangen ingevolge de Wet arbeid en zorg. Aansluitend aan deze uitkering heeft zij zich per 23 juli 2012 ziek gemeld vanwege rugklachten en psychische klachten, waaronder traumatische herbelevingen van de periode rond de vroeggeboorte.
1.2. Appellante heeft op 23 augustus 2012 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht, die na onderzoek heeft geconcludeerd dat appellante arbeidsongeschikt is voor het eigen werk, maar dat de klachten niet direct het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 23 augustus 2012 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 23 juli 2012 niet arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap of bevalling. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit in rechte is komen vast te staan.
1.3. Op basis van een rapport van een verzekeringsarts die appellante op 13 november 2012 op het spreekuur heeft gezien, heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2012 aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 14 november 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij geschikt wordt geacht voor haar arbeid.
1.4. Bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 november 2012 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het bestreden besluit doen berusten op het rapport van bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn van 20 december 2012.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, overwogen dat uit de onderzoeken van de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellante geldende beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door beide artsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft de stelling van appellante, dat door het Uwv ten onrechte geen inlichtingen zijn ingewonnen bij haar behandelend psycholoog, niet onderschreven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bezwaarverzekeringsarts bij brief van 18 december 2012 inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend psycholoog, maar dat daarop alleen een reactie is ontvangen van de huisarts en dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de huisarts bij zijn beoordeling heeft betrokken. Appellante heeft geen medische gegevens van haar psycholoog overgelegd die leiden tot twijfel over het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, aldus de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, benadrukt dat sprake is van een onzorgvuldig medisch onderzoek nu het Uwv geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend psycholoog. Appellante meent dat de informatie van de psycholoog van essentieel belang is voor de medische toetsing.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat in essentie een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd.
Nu appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die reden vormen om de conclusies van de betrokken verzekeringsartsen in twijfel te trekken, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M.P. Ketting