Socialezekerheidsrecht
Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen beroepschrift.
Centrale Raad van Beroep, 13 mei 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:1634 · Centrale Raad van Beroep · 13 mei 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-1634
Zaakgegevens
Op 13 mei 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 13 mei 2014
- Datum publicatie
- 13 mei 2014
- Zaaknummer
- 12-3941 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:1634
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen beroepschrift.
Procesgang
Centrale Raad van Beroep · 13 mei 2014deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2014:1634
Hoge Raad · 26 september 2014
ECLI:NL:HR:2014:2832
Uitspraak
12/3941 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van
31 mei 2012, 12/45 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Goes (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en desgevraagd nog een nadere reactie gegeven.
Namens betrokkene heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Appellant, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van de Velde. Namens betrokkene is verschenen mr. Van den Berg.
Het onderzoek is ter zitting geschorst. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 31 mei 2012 in afschrift aan partijen toegezonden. Het beroepschrift is op 16 juli 2012 ontvangen.
De beroepstermijn loopt in dit geval van 1 juni 2012 tot en met 12 juli 2012. Gelet op de ontvangst van het beroepschrift op 16 juli 2012, is het beroepschrift tijdig ingediend indien appellant het beroepschrift uiterlijk op 12 juli 2012 ter post heeft bezorgd.
Bij brief van 9 augustus 2012 heeft appellant desgevraagd toegelicht dat het beroepschrift is gedateerd op 10 juli 2012, is gestempeld op 12 juli 2012 en is per post verzonden op
12 juli 2012. Appellant heeft verklaard dat verzending en registratie wordt verzorgd door het bureau Documentaire Informatie Voorziening en heeft een kopie uit het registratiesysteem overgelegd. Ter zitting heeft appellant nog een toelichting gegeven op de wijze van verzending van poststukken.
Appellant heeft, met alle uitleg, niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift daadwerkelijk op 12 juli 2012 ter post is bezorgd. De overgelegde schermafbeelding van het postregistratiesysteem is daartoe onvoldoende, omdat uit het registratiesysteem niet volgt dat het beroepschrift op de geregistreerde verzenddatum ter verzending per post is aangeboden. Appellant heeft dit ook niet op andere wijze aannemelijk gemaakt.
Wat appellant heeft aangevoerd, bevat voor het overige geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Het hoger beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aanleiding bestaat om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466,- wordt geheven;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2014.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) M. Sahin