Socialezekerheidsrecht
Bijstand in de vorm van een geldlening. Appellant is erfgenaam van zijn vaders vermogen. Appellant kan op…
Centrale Raad van Beroep, 23 september 2014
ECLI:NL:CRVB:2014:3111 · Centrale Raad van Beroep · 23 september 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-3111
Zaakgegevens
Op 23 september 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 23 september 2014
- Datum publicatie
- 23 september 2014
- Zaaknummer
- 13-2907 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:3111
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bijstand in de vorm van een geldlening. Appellant is erfgenaam van zijn vaders vermogen. Appellant kan op korte termijn over voldoende middelen beschikken maar nu nog niet omdat de langstlevende ouder het vruchtgebruik heeft over zijn kindsdeel. Hieruit vloeit de bevoegdheid van het college voort om de bijstand vanaf het moment van overlijden van zijn vader te verstrekken in de vorm van een geldlening. Dit bedrag dient appellant terug te betalen zodra hij over zijn erfenis kan beschikken.
Uitspraak
13/2907 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
22 april 2013, 12/4738 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft I.T. Martens hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving vanaf 20 april 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 26 augustus 2011 is de vader van appellant overleden.
Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college aan appellant met ingang van 26 augustus 2011 bijstand verleend in de vorm van een geldlening. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 26 augustus 2011 erfgenaam is maar over de erfenis nog niet kan beschikken omdat de langstlevende ouder het vruchtgebruik heeft over zijn kindsdeel.
Bij besluit van 19 november 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2012 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met ingang van 29 augustus 2011 een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ontvangt. Over de periode van 29 augustus 2011 tot en met 31 oktober 2012 vindt verrekening plaats met het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De bijstand in de vorm van een geldlening is beperkt tot de periode van 26 tot en met 28 augustus 2011 en bedraagt bruto
€ 138,74. Dit bedrag dient appellant terug te betalen zodra hij over zijn erfenis kan beschikken.
Bij besluit van eveneens 19 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2012 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat vastgesteld is dat appellant erfgenaam is van zijn vaders vermogen tot een bedrag van ruim € 130.000,-. Het college heeft gelet daarop zich op het standpunt mogen stellen dat te verwachten valt dat appellant op korte termijn over voldoende middelen kan beschikken. Hieruit vloeit de bevoegdheid van het college voort om op grond van artikel 48 van de WWB de bijstand vanaf het moment van overlijden van zijn vader te verstrekken in de vorm van een geldlening. De rechtbank heeft overwogen dat het bepaalde in artikel 48 van de WWB weliswaar geen verplichting inhoudt maar dat dat niet betekent dat het college geen gebruik mag maken van aan het college bij wet toegekende bevoegdheid. Uit de stukken is gebleken dat op 9 oktober 2012 overleg heeft plaatsgevonden tussen appellant en het college over de termijn voor het indienen van nadere stukken. De op dat moment afgesproken termijn verliep op 6 november 2012. Het bestreden besluit van 19 november 2012 is ruim na het verstrijken van de afgesproken termijn genomen. Appellant heeft niet gevraagd om verlenging van de afgesproken termijn, zodat het college op grond van de op dat moment voor handen zijnde stukken heeft mogen beslissen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank geen reden hoeven zien om het maximaal terug te vorderen bedrag lager vast te stellen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij alleen nog belang heeft bij een proceskostenveroordeling in bezwaar en beroep. Het college heeft niet onderbouwd waarom zij gebruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid om bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het terug te betalen bedrag is te hoog vastgesteld. Het college had moeten wachten totdat appellant de gevraagde stukken had ingediend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de in beroep ingediende gronden van appellant op juiste wijze besproken en afdoende gemotiveerd waarom die beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen onder 6 en 10 van de aangevallen uitspraak - zoals onder 2 samengevat - waarop dat oordeel rust. Appellant heeft in hoger beroep geen nadere gronden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het door de rechtbank gegeven oordeel over zijn beroepsgronden onjuist is.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2014.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) C.E.M. van Paddenburgh
HD