Socialezekerheidsrecht
Intrekking bijstand na verkoop woning.
ECLI:NL:CRVB:2014:3765 · Centrale Raad van Beroep · 11 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-3765
Zaakgegevens
Op 11 november 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 11 november 2014
- Datum publicatie
- 18 november 2014
- Zaaknummer
- 13-5813 WWB
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:3765
Samenvatting
Intrekking bijstand na verkoop woning.
Procesgang
Uitspraak · 2013
ECLI:NL:RBROT:2013:7233Centrale Raad van Beroep · 11 november 2014deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2014:3765
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
13/5813 WWB
Datum uitspraak: 11 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
26 september 2013, 12/5437 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontving sinds 12 juli 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande in de vorm van een lening. Ten tijde van de toekenning was appellant eigenaar van een door hemzelf bewoonde woning.
Op 4 april 2012 heeft appellant de woning verkocht voor een bedrag van € 170.000,-. Na verrekening van kosten, de aflossing van de openstaande hypotheek en een schenking aan zijn dochter, heeft appellant een bedrag van € 104.651,93 uit de verkoop van de woning ontvangen.
Bij besluit van 26 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 4 april 2012 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant met de ontvangst van het bedrag van € 104.651,93 de voor hem geldende vermogensgrens heeft overschreden en vanaf 4 april 2012 geen recht op bijstand had.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
De hier te beoordelen periode loopt van 4 april 2012 tot en met 26 juli 2012.
Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode met de bijschrijving van het bedrag van € 104.651,93 beschikte over een vermogen dat de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Appellant betwist niet dat dit positieve vermogensbestanddeel een beletsel vormde voor bijstandsverlening.
De beroepsgrond dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, omdat geen exacte vermogensvaststelling heeft plaatsgevonden, slaagt niet. Anders dan appellant stelt heeft het college aan de intrekking van de bijstand van appellant een inzichtelijke vermogensvaststelling ten grondslag gelegd. Dat deze vermogensvaststelling door appellant is betwist, kan, nu appellant met het college van mening is dat zijn vermogen in de te beoordelen periode in de weg staat aan bijstandsverlening, niet leiden tot de conclusie dat het besluit tot intrekking niet in stand kan blijven. De precieze vermogensvaststelling kan daarom buiten bespreking blijven.
Het betoog van appellant dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden op de grond dat het college hem onvoldoende heeft geïnformeerd over de periode waarin hij wordt geacht door aanwending van zijn vermogen in zijn levensonderhoud te voorzien slaagt evenmin. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 6 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8657) verplicht geen rechtsregel een bijstandsverlenend orgaan om bij beëindiging of intrekking van bijstand op de grond dat de betrokkene een vermogen heeft dat hoger is dan de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen, mee te delen op welk tijdstip die betrokkene door verantwoorde intering op dat vermogen weer in de situatie zal verkeren dat recht op bijstand bestaat. Na een dergelijk besluit kunnen zich immers vele omstandigheden en ontwikkelingen voordoen, waarop dat orgaan geen zicht heeft en waardoor de termijn waarbinnen van een verantwoorde intering op dat vermogen sprake is, korter of langer kan worden. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene, die een beroep op bijstand doet of zal doen, om verantwoord in te teren. Anders dan appellant meent was het college evenmin verplicht om bij de intrekking van de bijstand wegens vermogen boven het vrij te laten vermogen zich uit te laten over de vraag hoe de vermogenstoedeling aan de dochter van appellant bij een mogelijk toekomstig beroep op bijstand zal worden beoordeeld. Eerst bij een nieuwe aanvraag om bijstand zal het college moeten beoordelen of appellant op de opbrengst van de verkoop van zijn woning verantwoord heeft ingeteerd. Daarbij zal ook de schenking aan de dochter van appellant worden beoordeeld.
Uit 4.1 tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en
G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S.W. Munneke
HD