Socialezekerheidsrecht
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.
ECLI:NL:CRVB:2014:401 · Centrale Raad van Beroep · 12 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-401
Zaakgegevens
Op 12 februari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 12 februari 2014
- Datum publicatie
- 12 februari 2014
- Zaaknummer
- 12-4586 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:401
Samenvatting
Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.
Uitspraak
Inhoudsopgave
12/4541 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch
van 4 juli 2012, 12/1086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te[woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellant en
mr. Strijbosch zijn - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich laatstelijk per 5 augustus 2011 ziek gemeld met nek- en rechterarmklachten en psychische klachten. Aan appellant is door het Uwv een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 10 november 2011 is appellant door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Daarbij is vastgesteld dat er geen nieuwe beperkingen te objectiveren zijn voor de maatgevende functie. Het Uwv heeft bij besluit van 20 december 2011 op basis van de aanwezige medische gegevens vastgesteld dat appellant per 27 december 2011 geschikt was voor zijn arbeid.
1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2011. Bij besluit van 4 april 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van
20 december 2011 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv onzorgvuldig en de uitkomst daarvan onjuist te achten. Door appellant is geen medische informatie naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de vaststelling van de verzekeringsartsen dat appellant op de datum in geding niet meer beperkingen had dan is aangenomen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv de ernst van het door appellant overkomen ongeval van 21 september 2011 en de als gevolg daarvan ontstane medische problematiek heeft onderschat. Appellant heeft in dat verband het proces-verbaal van aangifte overgelegd en gesteld dat hij is aangereden met een hogere snelheid dan door het Uwv is aangenomen. Appellant heeft gevraagd om door een onafhankelijk medisch specialist te worden onderzocht.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.
De rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv zijn gebaseerd op zorgvuldige onderzoeken en vormen een voldoende medische grondslag voor het oordeel dat appellant met ingang van 27 december 2011 geschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Op grond van de beschikbare gegevens, waaronder die met betrekking tot het bij appellant gediagnosticeerde cervicobrachiaal syndroom, is gemotiveerd geconcludeerd dat appellant wel beperkingen had, maar dat deze beperkingen geen belemmering vormden voor appellant om de maatgevende arbeid, te weten de werkzaamheden als hulpverlener bij de [naam Stichting], te verrichten.
Naar aanleiding van het onderzoek op 10 november 2011 en het daarbij naar voren gekomen ongeval, is door de verzekeringsarts van het Uwv informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. Uit het vervolgrapport van 20 december 2011 van de verzekeringsarts en de rapporten van 10 januari 2012 en 30 maart 2012 blijkt duidelijk dat de door de huisarts toegezonden informatie door het Uwv is meegewogen bij de beoordeling of appellant geschikt was voor zijn arbeid per 27 december 2011. Voor het overige wordt aangesloten bij het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 8.
Anders dan appellant heeft betoogd, komt aan de snelheid van de auto die hem op
21 september 2011 heeft aangereden, geen bijzondere betekenis toe. Genoegzaam staat vast dat het ongeval de beperkingen van appellant niet in relevante mate heeft doen toenemen. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een deskundige in te schakelen, zoals appellant heeft verzocht.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is geen plaats voor een veroordeling tot vergoeding van schade.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.
(getekend) M. Greebe
(getekend) Z. Karekezi