Socialezekerheidsrecht
Vaststelling buitenlandbijdrage. Niet tijdig ingeschreven bij bevoegd orgaan.
ECLI:NL:CRVB:2014:4456 · Centrale Raad van Beroep · 31 december 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-4456
Zaakgegevens
Op 31 december 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 31 december 2014
- Datum publicatie
- 31 december 2014
- Zaaknummer
- 13-2372 ZVW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:4456
Samenvatting
Vaststelling buitenlandbijdrage. Niet tijdig ingeschreven bij bevoegd orgaan.
Uitspraak
Inhoudsopgave
13/2372 ZVW
Datum uitspraak: 31 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
28 maart 2013, 12/711 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Italië, (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per
1 april 2014 overgegaan naar Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
OVERWEGINGEN
Appellant woont sinds augustus 2008 in Italië en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en pensioen van de Stichting Pensioenfonds Openbare Apothekers.
Bij besluit van 7 oktober 2011 - gehandhaafd bij besluit van 3 januari 2012 (bestreden besluit) - heeft Zorginstituut de voorlopige jaarafrekening voor 2008 vastgesteld, waarbij de buitenlandbijdrage over 2008 voorlopig is bepaald op € 1.182,37.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 3 januari 2012 in verband met schending van de in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde hoorplicht gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten, omdat de in beroep aangevoerde gronden niet tot het oordeel leiden dat het bestreden besluit inhoudelijk onrechtmatig is.
3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten bestreden. Hij heeft aangevoerd dat hoewel uit de Verordening EEG nr. 1408/71 dwingend volgt dat in 2008 sprake is geweest van recht op zorg, deze zorg feitelijk niet kon worden verkregen, omdat het niet lukte om in Italië met het zogenoemde E-121 formulier ingeschreven te raken. Ten einde toch verzekerd te zijn van medische zorg heeft appellant naar zijn stelling een particuliere zorgverzekering moeten afsluiten. Nu hij met terugwerkende kracht ook de buitenlandbijdrage moet betalen lijdt hij schade.
4. De Raad overweegt als volgt.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten. Met de rechtbank en onder verwijzing naar de door de rechtbank genoemde rechtspraak oordeelt de Raad dat de omstandigheid dat appellant niet (tijdig) is ingeschreven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats, niet afdoet aan het in 2008 bestaand hebbend recht op verstrekkingen en de verplichting een buitenlandbijdrage te betalen. De door appellant geschetste omstandigheden dat hij problemen bij de (niet tijdige) inschrijving bij het bevoegde orgaan in Italië heeft ondervonden en dat hij juist alles in het werk heeft gesteld om zich tijdig in te schrijven maakt dit niet anders.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Met hetgeen is overwogen onder 4.2 is gelet op artikel 8:73 van de Awb gegeven dat het verzoek om schadevergoeding afgewezen moet worden.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) D. van Wijk