Socialezekerheidsrecht
Geen recht op ZW-uitkering. Terugvordering ziekengeld. De Raad is van oordeel dat het op grond van de…
ECLI:NL:CRVB:2014:577 · Centrale Raad van Beroep · 21 februari 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2014-577
Zaakgegevens
Op 21 februari 2014 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 februari 2014
- Datum publicatie
- 25 februari 2014
- Zaaknummer
- 12-6241 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2014:577
Samenvatting
Geen recht op ZW-uitkering. Terugvordering ziekengeld. De Raad is van oordeel dat het op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant de hersteldverklaring heeft ontvangen.
Procesgang
Uitspraak · 2012
ECLI:NL:RBROT:2012:6378Centrale Raad van Beroep · 21 februari 2014deze uitspraak
ECLI:NL:CRVB:2014:577
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
12/6241 ZW
Datum uitspraak: 21 februari 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
1 november 2012, 11/3602 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep aangetekend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.H.H. Fuchs.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is bij besluit van 28 december 2010 per 3 januari 2011 hersteld verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 16 mei 2011 heeft het Uwv aan appellant bericht dat aan hem over de periode van 3 januari 2011 tot en met 1 mei 2011 ten onrechte een bedrag van € 4.655,45 (bruto) aan uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is betaald en dat dit zal worden teruggevorderd. Bij besluit van 14 juli 2011 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 mei 2011 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat het Uwv aan appellant de ZW-uitkering over de periode van 3 januari 2011 tot en met 1 mei 2011 onverschuldigd heeft betaald. Dat appellant heeft gesteld dat hij de hersteldverklaring niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het besluit van 28 december 2010 in werking is getreden. Ter zitting heeft het Uwv verklaard dat het de vaste werkwijze is van de verzekeringsarts om de hersteldverklaring mee te geven aan de betrokkene. Ter onderbouwing heeft het Uwv een verklaring van deze verzekeringsarts van 13 september 2012 overgelegd. Daarnaast blijkt uit de contacthistorie van het Klanten Contact Centrum van het Uwv dat appellant op
3 januari 2011 en 10 mei 2011 over de hersteldverklaring telefonisch contact heeft opgenomen. Tijdens het gesprek van 10 mei 2011 heeft appellant gezegd dat hij op
28 december 2010 een beslissing heeft meegekregen van de verzekeringsarts dat hij hersteld zou zijn per 3 januari 2011. Daarnaast was appellant in ieder geval bekend met de hersteldverklaring op het moment dat de gemachtigde van appellant in bezwaar de stukken heeft ontvangen bij brief van 8 juni 2011. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv op goede gronden het onverschuldigd betaalde bedrag van € 4.655,45 van appellant heeft teruggevorderd.
3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij betwist dat hij de hersteldverklaring heeft ontvangen. Tevens heeft het Uwv ten onrechte het betaalde
ZW-uitkering over de periode 3 januari 2011 tot en met 1 mei 2011 teruggevorderd, want appellant was nog steeds ziek.
De Raad komt tot de volgende beoordeling
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat uit de telefoongesprekken die appellant heeft gevoerd met het Uwv naar voren komt dat appellant wist dat hij hersteld verklaard was. Ook de Raad is van oordeel dat het op grond van de beschikbare gegevens voldoende aannemelijk is geworden dat appellant de hersteldverklaring heeft ontvangen. Omdat appellant tegen het besluit van 28 december 2010 geen bezwaar heeft aangetekend staat vast dat hij geen recht heeft op ZW-uitkering over de periode van 3 januari 2011 tot en met
1 mei 2011.
Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv gehouden het onverschuldigd betaalde ziekengeld terug te vorderen, tenzij - zoals is bepaald in het vierde lid van dit
artikel - dringende redenen bestaan om geheel of ten dele daarvan af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor een verzekerde heeft. Uit de voorliggende stukken blijken geen onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die voor appellant als gevolg van de terugvordering optreden. Er zijn geen aanknopingspunten om een dringende reden aan te nemen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering zou moeten worden afgezien.
Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep geen doel treft en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2014.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) E. Heemsbergen
GdJ