Socialezekerheidsrecht
Appellant heeft zich medio 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Per…
ECLI:NL:CRVB:2015:1243 · Centrale Raad van Beroep · 8 april 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2015-1243
Zaakgegevens
Op 8 april 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 8 april 2015
- Datum publicatie
- 21 april 2015
- Zaaknummer
- 13-4749 ZW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:1243
Samenvatting
Appellant heeft zich medio 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Per 11 december 2012 wordt appellant niet langer arbeidsongeschikt geacht voor zijn werkzaamheden als montagemedewerker. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Uit de overgelegde informatie blijkt niet van ernstige medische problemen en/of medische behandelingen. Bovendien heeft die informatie betrekking op de periode na de in geding zijnde datum en heeft in dit verband als maatstaf te gelden de werkzaamheden van montagemedewerker zonder bijzondere verzwarende aspecten.
Uitspraak
Inhoudsopgave
13/4749 ZW
Datum uitspraak: 8 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
17 juli 2013, 13/1973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere medische stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2015. Namens appellant is
mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. dr. J.H. Ermers.
OVERWEGINGEN
Appellant heeft zich met ingang van 18 juni 2012 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Appellant is door het Uwv per 11 december 2012 niet langer arbeidsongeschikt geacht voor zijn werkzaamheden als montagemedewerker. Dat oordeel is neergelegd in een besluit van 5 december 2012 en berust op een rapport van een verzekeringsarts van 4 december 2012.
Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, die zijn bevindingen heeft neergelegd in een rapport van 22 januari 2013, heeft het Uwv bij besluit van
29 januari 2013 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van
5 december 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat beide verzekeringsartsen appellant hebben onderzocht en dat er informatie is ingewonnen bij de huisarts. Voor de klachten van appellant is deels (de vaatklachten) geen medisch objectiveerbare oorzaak gevonden en deels (de CTS klachten) zijn zij geen belemmering om de werkzaamheden als montagemedewerker te verrichten. Ook van relevante psychische klachten is niet gebleken.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten en beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Gewezen is op de zware aspecten van het werk. Ook is informatie overgelegd van een cardioloog en een KNO-arts.
De Raad overweegt als volgt.
Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit die informatie blijkt niet van ernstige medische problemen en/of medische behandelingen. Bovendien heeft die informatie betrekking op de periode na de in geding zijnde datum. De Raad kan niet inzien dat de verzekeringsartsen een onjuist beeld hadden van de werkzaamheden van appellant. Uit de rapporten blijkt dat dat wel het geval was. De Raad merkt in dit verband nog op dat, gelet op artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet in deze als maatstaf heeft te gelden de werkzaamheden van montagemedewerker zonder bijzondere verzwarende aspecten.
Het hoger beroep slaagt daarom niet.
4. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) I. Mehagnoul