Socialezekerheidsrecht
Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk…
ECLI:NL:CRVB:2015:171 · Centrale Raad van Beroep · 27 januari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2015-171
Zaakgegevens
Op 27 januari 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 27 januari 2015
- Datum publicatie
- 27 januari 2015
- Zaaknummer
- 13-4799 NIOAW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:171
Samenvatting
Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Niet voldaan aan voorwaarden. Geen bijzondere omstandigheden.
Uitspraak
Inhoudsopgave
13/4799 NIOAW
Datum uitspraak: 27 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
18 juli 2013, 13/681 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014. Namens appellante is verschenen mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.L. Heijs.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren op [in] 1955, is op 1 januari 2004 werkloos geworden. Zij heeft van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Zij heeft nadien in drie dienstbetrekkingen gewerkt, waaruit telkens recht op een uitkering ingevolge de WW is ontstaan voor de duur van drie maanden. Appellante heeft van 12 juli 2010 tot en met 28 mei 2012 een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangen.
Appellante heeft op 18 juni 2012 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).
Bij besluit van 3 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 december 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a, van de IOAW neergelegde voorwaarden voor toekenning van een IOAW-uitkering. Appellante had op de eerste werkloosheidsdag, waarbij ook was voldaan aan de vereiste uitkeringsduur van meer dan drie maanden, niet de leeftijd van 50 jaar bereikt. Na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar heeft zij geen recht gehad op een uitkering met een duur van meer dan drie maanden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onder a van de IOAW neergelegde voorwaarden voor toekenning van een IOAW-uitkering.
Artikel 2 van de IOAW is dwingendrechtelijk van aard. Anders dan appellante stelt, biedt dat artikel voor het college geen ruimte voor een belangenafweging of om daarvan overeenkomstig de in de gemeentelijke maatregelenverordening neergelegde hardheidsclausule af te wijken. Er zijn bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen, dat op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Appellante heeft echter niet gesteld dat daarvan sprake is.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van
M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2015.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M.S. Boomhouwer