Socialezekerheidsrecht
Geen procesbelang meer. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep, 19 juni 2015
ECLI:NL:CRVB:2015:1991 · Centrale Raad van Beroep · 19 juni 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/centrale-raad-van-beroep/bestuursrecht/socialezekerheidsrecht/hoger-beroep/ecli-nl-crvb-2015-1991
Zaakgegevens
Op 19 juni 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over socialezekerheidsrecht.
- Instantie
- Centrale Raad van BeroepCentrale Raad van BeroepDe hoogste bestuursrechter voor sociale zekerheid en ambtenarenzaken.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 19 juni 2015
- Datum publicatie
- 22 juni 2015
- Zaaknummer
- 13-6330 AOW
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:CRVB:2015:1991
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geen procesbelang meer. Hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitspraak
13/6330 AOW t/m 13/6334 AOW
Datum uitspraak: 19 juni 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
16 oktober 2013, 13/4693, 13/4694, 13/4695, 13/4697, 13/4700 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht.
Bij brief van 8 mei 2015 heeft de Svb aan de Raad een nieuw besluit op bezwaar toegezonden, gedateerd 5 mei 2015. Appellant heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Bij verschillende besluiten heeft de Svb appellant over de jaren 2001 tot en met 2005 schuldig nalatig verklaard de verschuldigde premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen. De schuldige nalatigheid is daarbij vastgesteld op 100%.
Bij beslissing op bezwaar van 5 mei 2015 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij over de jaren 2001 tot en met 2005 en 2007 niet langer schuldig nalatig wordt geacht en dat de op die jaren betrekking hebbende schuldig nalatig verklaringen worden ingetrokken.
De Raad stelt vast dat met de beslissing op bezwaar van 5 mei 2015 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. De Raad is niet gebleken dat appellant enig (proces) belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de uitspraak van de rechtbank. De Raad zal het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Appellant heeft verzocht de Svb te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep voor de door hem verrichte proceshandelingen, alsmede tot vergoeding van griffierechten.
Een veroordeling in de proceskosten zoals bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Bpb), uitsluitend betrekking hebben op de in dat artikel genoemde kosten. Ingevolge artikel 1, onder a, van het Bpb kunnen dit kosten zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu appellant in de onderhavige procedures in persoon heeft geprocedeerd, komen de door hem opgevoerde kosten voor het indienen van beroepschriften, het verschijnen ter zitting en het indienen van een schriftelijke zienswijze niet voor vergoeding in aanmerking. Van andere wel voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht van totaal € 162,- aan appellant vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) M.D.F. de Moor